Rechtspraak Hoge Raad 1997-10-15
ECLI:NL:HR:1997:AA3312
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 september 1996 betreffende de haar voor het boekjaar 1989/1990 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het boekjaar 1989/1990 (lopende van 1 februari 1989 tot en met 31 januari 1990) een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 16.853,--, onder vermeerdering van de belasting met een desinvesteringsbetaling ten bedrage van ƒ 26.683,-- en verrekening van investeringsbijdragen van ƒ 198,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehand aafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep ten dele bestreden en zich ten dele gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 1 mei 1997 geconcludeerd dat de omstandigheid dat de schriftelijke uitspraak is gedaan door een ander lid van het gerechtshof dan het lid dat de mondelinge uitspraak heeft gedaan, geen grond tot cassatie vormt. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Nu het Hof niet heeft vastgesteld wat de waarde van de grond vóór de sloop is, kan niet worden beoordeeld of en in hoeverre belanghebbende ten gerieve van haar aandeelhouder iets heeft opgeofferd en aldus een uitdeling aan die aandeelhouder heeft gedaan. 's Hofs oordeel dat belanghebbende een winst uitdeling heeft gedaan, is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is, voorzover het zich tegen dit oordeel keert, gegrond. 3.2. Het middel is evenzeer gegrond voorzover het opkomt tegen 's Hofs beslissing dat terecht een desinvesteringsbetaling in aanmerking is genomen. Aan deze beslissing heeft het Hof ten grondslag gelegd dat het op 19 september 1986 gekochte pand Hoofd straat 73, voor welke investering een investerings bijdrage is toegekend, niet daadwerkelijk is gebruikt in het kader van belanghebbendes bedrijfsuitoefening. > Ingevolge het bepaalde in artikel 61b, leden 3 en 4, (tekst 1989) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geldt, ingeval een investering ongedaan wordt gemaakt, zulks als een vervreemding van een zaak en wordt met het ongedaan maken van een investering gelijkgesteld het niet in gebruik genomen zijn van een bedrijfsmiddel binnen drie jaren na de aan vang van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden. Dit brengt mee dat de door het Hof vastgestelde fictieve vervreemding van het onderhavige pand heeft plaatsgevonden op 1 januari 1989 en dat, indien des wege een desinvesteringsbetaling is verschuldigd geworden, deze in aanmerking dient te worden genomen bij de aanslag voor belanghebbendes boekjaar 1 februari 1988 tot en met 31 januari 1989, en derhalve niet bij de aanslag voor het onderhavige boekjaar, zoals het middel terecht betoogt. 3.3. Op grond van het vorenoverwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld 5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behande (2e volzin) Zij vermeldt wanneer en door wie zij is vastgesteld en wordt door het lid van de enkelvoudige kamer (...) ondertekend. 2. (2e volzin) Indien het lid van de enkelvoudige kamer (...), dat over de zaak geoordeeld heeft, buiten staat is om de uitspraak te ondertekenen, geschiedt zulks (...) door een plaatsvervanger (...) Art. 17a. 1. (1e volzin) In afwijking van artikel 17 kan het gerechtshof (...) mondeling uitspraak doen (...) (2e volzin) De uitspraak kan met het oog daarop voor ten hoogste twee weken worden verdaagd (...) (3e volzin) De mondelinge uitspraak bestaat uit een opgave van de beslissing (...) en van de daarvoor gebezigde gronden. 2. (1e volzin) Van de mondelinge uitspraak wordt proces-verbaal opgemaakt. (2e volzin) Het proces-verbaal wordt door het lid van de enkelvoudige kamer (...) ondertekend. (...) Art. 17b. 1. Ieder der partijen kan (...) het gerechtshof (...) verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. (...) 3. (1e volzin) Het gerechtshof geeft met toepassing van artikel 17 aan het verzoek gevolg binnen dertien weken nadat het verschuldigde recht (...) is gestort. (...)" C. . De regeling van de artt. 17a en 17b Wet ARB is inhoudelijk afkomstig uit de Wet van 13 januari 1983, Stb. 52. 1. . De grondslag voor die wet en voor de Wet van 13 januari 1983, Stb. 60, is te vinden in het Rapport d. d. 11 mei 1980 van de Commissie van advies inzake werkwijze en normen belastingkamers gerechtshoven (Commissie-Van Vucht), Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1980-1981 - 16.848, nr. 4. Dit rapport hield in (onder 3.2, Ad b, IV; ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan): "(blz. 9, 4e al. v. o.) Een schriftelijke uitspraak moet (...) veel meer omvatten dan de eigenlijk gezegde motivering: met name de vaststaande feiten en de standpunten van partijen (...) moeten ook worden omschreven. Indien de uitspraak dus beperkt kan blijven tot de beslissing en de eigenlijk gezegde motivering, is veel werkbesparing verkregen." 2. . Ch. J. Langereis, Weekblad voor fiscaal recht (WFR) 1982/5550, blz. 671, onder 2, betoogde voor geval de uitspraak wordt verdaagd: "(...) Niet geheel duidelijk is of de meervoudige kamer van een gerechtshof in gelijke samenstelling mondelinge uitspraak moet doen. Ik meen van wel. In dat geval kan een mondelinge uitspraak die twee weken later wordt gehouden problemen oproepen. Men denke aan de positie van raadsheer-plaatsvervangers, aan ziekte van raadsheren enz. (...)" 3. . Dienaangaande werd in het Voorlopig verslag, 1981-1982 - 17.379, nr. 5, betoogd: "(blz. 10, laatste al.) (...) Ten einde (...) problemen en onnodig tijdverlies te voorkomen leek het (...) leden toe dat wenselijk is (...) (blz. 11, 1e al.) (...) een bepaling in de wet op te nemen dat de uitspraak tevens door een andere raadsheer c.q. raadsheer-plaatsvervanger dan degene of degenen die op de zitting hebben gezeten en de uitspraak gewezen, kan worden uitgesproken en tevens dat ook ingeval de meervoudige kamer een uitspraak doet, deze uitspraak door één raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger kan worden uitgesproken." 4. . De Memorie van antwoord, nr. 6, hield in: "(blz. 4, 4e al.) (...) De complicaties die mr. Langereis noemt (...), zijn zodanig gekunsteld, dat zij naar ons oordeel geen argument tegen de voorgestelde regeling kunnen opleveren. (...) (5e al.) De beslissing van een meervoudige kamer zal door deze, zowel bij een schriftelijke als bij een mondelinge uitspraak, moeten worden genomen in dezelfde samenstelling als waarin zij over een zaak heeft gezeten. De mededeling van die beslissing kan bij een verdaagde mondelinge uitspraak echter ook geschieden door een andere of anders samengestelde kamer. (blz. 9, 3e al. v. o.) Volgens artikel 17a, eerste lid, bestaat de mondelinge uitspraak uit een opgave van de beslissing van het gerechtshof en van de daarvoor gebezigde gronden. Uiteraard zal de beslissing moeten worden genomen door de kamer, die de zaak behandeld heeft, en wel in ongewijzigde samenste De vervangende schriftelijke uitspraak zal inhoudelijk gelijk zijn aan de reeds gedane mondelinge uitspraak: de vervanging strekt er niet toe dat de zaak opnieuw wordt overwogen. H. . Indien de schriftelijke uitspraak inhoudelijk iets noemenswaardigs bevat dat in de mondelinge uitspraak niet voorkwam , dan wel iets mist dat er wel in voorkwam , dan neemt Uw Raad al spoedig aan dat heroverweging heeft plaatsgehad, en volgt op die enkele grond cassatie. Alleen voor herstel van onmiddellijk duidelijke vergissingen is ruimte . Een taalkundige verbetering is geen wezenlijke, inhoudelijke, verandering . Evenmin is dat de uitdrukking van een kort geformuleerde gedachtegang in bredere bewoordingen . I. . HR 28 oktober 1992, nr. 28.215, BNB 1993/151, overwoog: "(blz. 1165, regels 48-56) 3.2. (...) Middel C betoogt dat, aangezien de mondelinge uitspraak niet in overeenstemming was met hetgeen omtrent de berekening van de bijtelling wegens privé-gebruik van de auto's was overeengekomen, een schriftelijke uitspraak is verzocht en klaagt erover dat deze laatste uitspraak afwijkt van de mondelinge. Hoewel het middel gegrond is, kan het niet tot cassatie leiden, nu belanghebbende geen belang heeft bij vernietiging van de voor hem gunstigere schriftelijke uitspraak. (blz. 1166, regels 15-17) 3.5. De Hoge Raad ziet aanleiding wegens gegrondheid van middel C - hoewel dit niet tot cassatie leidt - de Staatssecretaris te gelasten het door belanghebbende gestorte bedrag te vergoeden (...)" J. . Op 23 december 1996 is een Voorstel van wet herziening van het fiscale procesrecht (1996-1997 - 25.175, nr. 2) bij de Tweede Kamer ingediend. 1. . Volgens dit voorstel wordt art. 28b, lid 2, 1e volzin, Algemene wet inzake rijksbelastingen geredigeerd: "Indien het beroepschrift is gericht tegen een mondelinge uitspraak (...), zendt de griffier van het gerechtshof (...) aan de griffier van de Hoge Raad een afschrift van het proces-verbaal van de zitting, voor zover dit op de zaak betrekking heeft, alsmede een door het gerechtshof opgesteld overzicht van het procesverloop, de vaststelling van de feiten, de omschrijving van het geschil en de standpunten van partijen." 2. . De desbetreffende Memorie van toelichting, nr. 3, blz. 23, 5e al., houdt in: "(...) Op deze wijze wordt naar ons oordeel een goede middenweg gevonden tussen enerzijds de wenselijkheid om beroep in cassatie open te stellen tegen mondelinge uitspraken als zodanig en anderzijds de noodzaak om aan de Hoge Raad de relevante gegevens te verstrekken die deze nodig heeft voor de toetsing in cassatie." IV. . Ontstentenis van het lid van de enkelvoudige kamer dat mondeling uitspraak heeft gedaan. A. . Voor geval een lid van een enkelvoudige kamer schriftelijk uitspraak doet, regelt art. 17, lid 2, 2e volzin, Wet ARB de situatie dat het buiten staat is de uitspraak te ondertekenen: alsdan geschiedt de ondertekening door een plaatsvervanger. B. . Naar het mij voorkomt, moet hier verondersteld zijn dat het gaat om een plaatsvervangend lid van dezelfde enkelvoudige kamer. Art. 71, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) maakt het evenwel mogelijk daartoe alsnog een raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger als zodanig aan te wijzen. C. . Voor geval een lid van een enkelvoudige kamer mondeling uitspraak doet en vervolgens buiten staat is het proces-verbaal daarvan te ondertekenen, voorziet de wet niet in de dan ontstane situatie. D. . Het ligt voor de hand alsdan art. 17, lid 2, 2e volzin, Wet ARB naar analogie toe te passen. E. . Voor geval een lid van een enkelvoudige kamer mondeling uitspraak heeft gedaan en vervolgens buiten staat is de mondelinge uitspraak door een schriftelijke te vervangen, voorziet de wet ook niet in de dan ontstane situatie. F. . Het lijkt buiten kijf dat het gewenst is, en dan ook wel door de wetgever verondersteld zal zijn, dat de vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke geschiedt door het lid van de enkelvoudige kamer dat de mondelinge uitspraak ged