Rechtspraak Hoge Raad 1997-11-12
ECLI:NL:HR:1997:AA3301
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 oktober 1996 betreffende een verzoek, gedagtekend 15 augustus 1994, om toepassing van artikel 11, lid 1, letter b, onder 5, (tekst 1994) van de Wet op de omzetbelasting 1968, gezamenlijk aan de Inspecteur gedaan door X, (belanghebbende) te Z en de maatschap A te Z met betrekking tot de verhuur van een onroerende zaak - zijnde een ligboxenstal - te Z. 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Op bovenbedoeld verzoek is door de Inspecteur op 14 oktober 1994 afwijzend beschikt. Het tegen de beschikking van de Inspecteur gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak en de beschikking heeft vernietigd, en heeft bepaald dat de verpachting door belanghebbende van de ligboxenstal met ingang van 1 november 1994 niet is vrijgesteld van omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende, die een agrarisch bedrijf uitoefende, is per 1 januari 1994 een maatschap aangegaan met zijn echtgenote, in welke maatschap belanghebbende de roerende bedrijfsmiddelen van zijn agrarisch bedrijf, zomede het economische belang van zijn overige bedrijfsmiddelen van dat bedrijf heeft ingebracht. Belanghebbende is omstreeks juni 1994 aangevangen met de bouw van een ligboxenstal. Met betrekking tot die ligboxenstal werd tussen belanghebbende en de maatschap op 18 november 1994 een pachtovereenkomst aangegaan voor de tijd van zes jaren tegen een jaarlijkse pachtprijs van f 12.000,--, met ingang van 1 november 1994. In verband met vorenomschreven pacht werd door belanghebbende en de maatschap het verzoek te worden uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting gedaan, hetwelk door de Inspecteur werd afgewezen. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat onder deze omstandigheden met betrekking tot belanghebbende en de ligboxenstal sprake is van een ondernemer die een vermogensbestanddeel exploiteert om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, een en ander als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, en dat daarbij opmerking verdient dat aan die pachtovereenkomst niet in de weg staat de omstandigheid dat de verpachter als medevennoot is betrokken bij de maatschap welke als pachtster optreedt, en dat van belanghebbende niet gezegd kan worden dat hij met de onderwerpelijke verpachting niet zou optreden in het economische verkeer, gelet op de gelieerdheid tussen hem en de maatschap. Het middel bestrijdt deze oordelen. 3.3. Het middel voert aan dat de verhuur van de onroerende zaak in feite de huur van het eigen bedrijfsvermogen inhoudt, dat belanghebbende zijn activiteiten beperkt tot het verhuren van de onroerende zaak aan de maatschap, zodat sprake is van een handelen binnen een besloten kring, en dat een en ander meebrengt dat geen sprake is van deelname aan het economische verkeer en derhalve ook niet van ondernemerschap. 3.4. De maatschap, zijnde een combinatie van natuurlijke personen, welke geen rechtspersoonlijkheid doch wel feitelijke maatschappelijke zelfstandigheid bezit, verricht zelfstandig economische activiteiten en is uit dien hoofde als belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde Richtlijn te beschouwen. De verhuur van een onroerende zaak als hiervóór bedoeld is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 26 september 1996, nr. C-230/94 (Enkler), Vakstudie Nieuws 1997, blz. 653, aan te merken als een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde Rich