Rechtspraak Hoge Raad 1997-05-07
ECLI:NL:HR:1997:AA3246
gewezen op de beroepen in cassatie van X te Z en van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 juni 1995 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 31.499,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 30.511,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Ieder van partijen heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Beide partijen hebben een vertoogschrift ingediend. 3. Uitgangspunten in cassatie 3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende was gedurende de periode van 15 oktober 1990 tot en met 15 februari 1991, van 20 mei tot en met 16 juni 1991 en van 1 september tot en met 31 december 1991, als danser in dienstbetrekking werkzaam bij Stichting B. Tevens heeft hij voor deze stichting op basis van dagcontracten voorstellingen verzorgd. Naast deze werkzaamheden heeft belanghebbende in het onderhavige jaar, 1991, als dansdocent in de maanden mei en juli ten behoeve van Stichting C arbeid verricht. Gedurende de periode van 16 februari tot en met 31 juli 1991 genoot belanghebbende een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. 3.2. Het geschil voor het Hof betrof - voor zover in cassatie van belang - de door belanghebbende als aftrekbare kosten opgevoerde kosten ter zake van vaktrainingen gedurende zijn werkloosheid en kosten ter zake van theaterbezoek, die beide door de Inspecteur niet in aftrek zijn aanvaard. 4. Beoordeling van het middel van belanghebbende 4.1. Met betrekking tot de kosten van vaktrainingen - naar het in cassatie niet bestreden oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt tot een bedrag van ƒ 207,-- - heeft het Hof de Inspecteur in het gelijk gesteld op grond van de overweging dat deze kosten niet hebben gediend tot verwerving, inning en behoud van de werkloosheidsuitkeringen. 4.2. Voor zover het middel deze overweging bestrijdt met de stelling dat het volgen van vaktrainingen van belanghebbende geëist werd voor het behoud van zijn recht op uitkering, kan het niet tot cassatie leiden. Uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende deze stelling ook voor het Hof heeft aangevoerd en beoordeling van de gegrondheid ervan zou een feitelijk onderzoek vergen waarvoor in cassatie geen plaats is. 4.3. Het middel slaagt echter voor zover het betoogt dat de kosten van vaktrainingen voldoende verband houden met de door belanghebbende in het onderhavige jaar uitgeoefende dienstbetrekkingen. Het Hof heeft immers vastgesteld dat belanghebbende in dienstbetrekking was bij die stichting B van 15 oktober 1990 tot en met 15 februari 1991, van 20 mei 1991 tot en met 16 juni 1991, en van 1 september 1991 tot en met 31 december 1991, terwijl hij voorts in 1991 voor die stichting op basis van dagcontracten voorstellingen verzorgde. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de elkaar met korte onderbrekingen opvolgende dienstbetrekkingen voor telkens een korte periode zozeer met elkaar samenhingen dat de door belanghebbende gemaakte kosten tot de op de inkomsten uit die dienstbetrekkingen drukkende aftrekbare kosten kunnen worden gerekend voor zover zij dat ook zouden worden indien sprake was geweest van één zonder onderbreking voortdurende dienstbetrek- king. 4.4. Het in 4.3 overwogene brengt mee dat de door belanghebbende opgevoerde kosten van vaktrainingen nader mo