Rechtspraak Hoge Raad 1997-02-05
ECLI:NL:HR:1997:AA3244
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 december 1995 betreffende na te melden haar opgelegde naheffingsaanslag. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 1988 tot en met 30 juni 1991 een naheffingsaanslag opgelegd in de heffing op brandstoffen ingevolge artikel 61m van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne ten bedrage van ƒ 62.593,27 aan enkelvoudige belasting en f 6.259,33 aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling Milieuheffingen en Schadevergoedingen van de Directie Intern Beleid van het Directoraat-Generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: het Hoofd) is gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak en dat besluit vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een naheffingsaanslag ten bedrage van ƒ 62.593,27, zonder verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft, daartoe gemachtigd door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van de middelen. 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was tijdens het naheffings- tijdvak producent van technische kunststoffen. De hiervoor benodigde grondstoffen produceerde zij in haar koolmonoxyde- en chloorfabrieken, die aangemerkt zijn als inrichtingen als bedoeld in artikel 61m van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (hierna: Wabm). Eén van de door haar geproduceerde grondstoffen was chloor. De productie hiervan geschiedde door elektrolyse van water en zout, waarbij naast chloor ook waterstofgas vrijkwam. Dit vrijkomende waterstofgas werd door belanghebbende voor een deel gebruikt als grondstof voor de productie van zoutzuur, en voor het resterende deel als brandstof in haar fabrieken. Ter zake van het waterstofgas dat belanghebbende in het onderhavige tijdvak aldus als brandstof heeft gebruikt, is in de bestreden naheffingsaanslag een heffing begrepen. 3.2 In de Wabm, ingevolge welke wet de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd, wordt onder brandstoffen verstaan: een stof - met inbegrip van alle daaraan toegevoegde stoffen - dienende voor verbranding met het doel de daarbij ontstane energie te benutten, bij welke verbranding verontreinigende stoffen in de buitenlucht kunnen geraken. 3.3 Het Hof heeft geoordeeld - kort samengevat - dat, gelet op het feit dat er bij de verbranding van het waterstofgas verontreinigende stoffen in de buitenlucht geraken en gelet op de definitie van het begrip brandstoffen, het door belanghebbende in haar fabrieken als brandstof aangewende waterstofgas als brandstof in de zin van de Wabm dient te worden aangemerkt. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het bepaalde in artikel 61m Wabm niet vereist dat de daar bedoelde gasvormige brandstoffen zijn voortgekomen uit de inzet van fossiele brandstoffen. 3.4 De middelen 1 en 2, die deze oordelen gebrekkig gemotiveerd noemen, falen reeds omdat een rechtsoordeel niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden. Overigens zijn deze oordelen juist, gelet op de door de geschiedenis en strekking van de financiële bepalingen van de Wabm geboden ruime uitleg van het begrip brandstof (HR 27 november 1996, nr. 31.409, VN 19 december 1996, blz. 4904, pt. 31). 3.5 In middel 3 herhaalt belanghebbende haar voor het Hof gehouden betoog dat bij belasting van het door haar als brandstof gebruikte waterstofgas sprake is van een dubbele h