Rechtspraak Hoge Raad 1997-01-08
ECLI:NL:HR:1997:AA3224
Hoge Raad der Nederlanden derde kamer nr. 31.3088 januari 1997TB ARREST gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. te [Z] , voorheen te [Q] , tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 mei 1995 betreffende de haar voor het boekjaar 1988/1989 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het boekjaar 1988/1989 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.890.897,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr L.F. van Kalmthout, advocaat te Rotterdam. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende, een op 22 april 1976 naar Nederlands recht opgerichte vennootschap, was tot 20 april 1989 gevestigd in Nederland. Met ingang van laatstgenoemde datum was zij feitelijk gevestigd op [Z] (Nederlandse Antillen). 3.1.2. Het boekjaar van belanghebbende loopt van 1 juli tot en met 30 juni. 3.1.3. In het onderhavige boekjaar bezat belanghebbende alle aandelen in [A] B.V., welke vennootschap tot 1 januari 1989 een beleggingsinstelling was, als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet). 3.1.4. Doordat belanghebbende op 20 april 1989 ophield uit haar onderneming binnen het Rijk belastbare winst te genieten, diende zij voor de bepaling van haar winst voor het boekjaar 1988/1989 haar deelneming in [A] B.V. te waarderen op de waarde in het economische verkeer. De hierbij behaalde boekwinst bedroeg ƒ 1.421.363,--, waarvan ƒ 1.382.635,-- kan worden toegerekend aan de periode vóór 1 januari 1989. 3.1.5. In haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het onderhavige boekjaar heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat voormelde herwaarderingswinst een vrijgesteld voordeel vormt als bedoeld in artikel 13, lid 1 (tekst 1989), van de Wet. De Inspecteur stelde zich daarentegen op het standpunt dat de in de jurisprudentie ontwikkelde "compartimenteringsleer" meebrengt, dat van de waarderingswinst een bedrag van ƒ 1.382.635,--, niet onder de deelnemingsvrijstelling valt. 3.1.6. Voor de indiening van het aangiftebiljet voor het boekjaar 1988/1989, dat uiterlijk op 31 mei 1990 diende te worden ingeleverd, heeft de Inspecteur 7 maanden uitstel verleend. 3.1.7. Het aangiftebiljet, gedateerd 19 maart 1990 en ondertekend door "Managing Director N.V. [B] ", is ter inspectie ontvangen op 10 mei 1990. 3.1.8. Het onderhavige aanslagbiljet is met dagtekening 30 januari 1993 verzonden aan het adres op [Z] , dat belanghebbendes gemachtigde bij brief van 23 mei 1989 aan de Inspecteur als adres van de directie van belanghebbende, [C] N.V., had opgegeven. 3.1.9. Het aanslagbiljet is door belanghebbende ontvangen na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 11, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 3.1.10. De directie van belanghebbende was met ingang van 20 april 1989 tot 21 december 1989 gevoerd door [C] N.V. Met ingang van laatstgenoemde datum is [B] N.V., [a-straat 1] te [Z] , bestuurder van belanghebbende. 3.2. Voor het Hof was in geschil het antwoord op de vragen of de litigieuze aanslag is opgelegd vóór het verstrijken van de in artikel 11, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, en voorts of het bedrag van ƒ 1.382.635,-- ter zake van de onderhavige herwaarderingswinst een vrijgesteld v