ECLI:NL:HR:1997:AA3214
gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van Y, gewoond hebbende te Z, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 26 september 1995 betreffende na te melden aanslag in het recht van successie.
1. Aanslag en bezwaar Ter zake van de verkrijging door de Vereniging X (hierna: de Vereniging) te Z uit de nalatenschap van Y, overleden in 1990, is een aanslag in het recht van successie opgelegd ten bedrage van ƒ 5.781, --, welke aanslag na daartegen klaarblijkelijk met toepassing van artikel 54 van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) kennelijk door erfgenamen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
2. Tot verwijzing leidend geding De erfgenamen zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden. De uitspraak van dit Hof van 17 september 1993 is op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën bij arrest van de Hoge Raad van 13 juli 1994, nummer 29936, BNB 1994/280, vernietigd met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer en met inachtneming van dat arrest.
3. Geding na verwijzing Het Gerechtshof te Arnhem - verder: het Hof - heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
4. Geding in cassatie De erfgenamen hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.
6. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs hebben moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
Dit arrest is op 8 januari 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen en op die datum in het openbaar uitgesproken.