Rechtspraak Hoge Raad 1997-01-22
ECLI:NL:HR:1997:AA3208
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 juni 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen opgelegd ten bedrage van ƒ 9.346,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 2.336,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen verdere kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uit spraak en dit besluit heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Op 1 juni 1993 is met een personenauto van het merk Volkswagen, voorzien van het Duitse kenteken AA-11 (hierna: de auto), gebruik gemaakt van de openbare weg in de gemeente Q. Het genoemde ken teken stond op voormelde datum ten name van belanghebbende, die toen in Nederland woonde. De auto was op 1 juni 1993 niet geregistreerd in het krachtens de Wegenverkeerswet (oud) aangehouden register van opgeef geven kentekens. 3.1.2. Op 15 september 1992 is de auto via het douanekantoor te T uit Duitsland uitgevoerd. 3.1.3. De Inspecteur heeft de onderhavige na heffingsaanslag opgelegd op grond van het bepaalde in artikel 1, lid 4, van de - op 1 januari 1993 in werking getreden - Wet op de belasting van personenbus to's en motorrijwielen 1992 (tekst 1993; hierna: de Wet), welk artikel luidt: "Ingeval een niet-geregistreerde personenauto of een niet geregistreerd motor rijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, is de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Ne derland van de weg in de zin van de Wegenverkeers wet". Daarbij heeft de Inspecteur zich op het stand punt gesteld dat de constatering van het gebruik van de weg in Nederland op 1 juni 1993 voldoende is voor de belastbaarheid van dit feit, nu een eerder gebruik van het motorrijtuig in Nederland niet is geconstateerd. 3.2. Belanghebbende heeft zich voor het Hof, voor zover in cassatie van belang, op het standpunt gesteld dat de auto op 15 september 1992 in Nederland is ingevoerd, zodat de aanvang van het gebruik met de auto in Nederland van de weg reeds in 1992 had plaats gevonden. Voor dit feit kan echter - aldus belanghebbende - geen aanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen worden opgelegd, aangezien de Wet eerst op 1 januari 1993 in werking is getreden. 3.3. Het Hof heeft dit standpunt van belangheb bende verworpen. Het heeft daartoe geoordeeld dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk maakt, dat zij reeds op 15 september 1992 of korte tijd daarna het onderwerpelijke motorrijtuig in Nederland heeft ingevoerd. De eerste klacht is tegen dit oordeel gericht. 3.4. De klacht treft doel. Voormeld oordeel, waarmee het Hof kennelijk heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de auto niet reeds vóór 1 januari 1993 feitelijk in Nederland is binnengebracht en op de weg is gebruikt, is immers in het licht van de omstandigheid dat de auto op 15 september 1992 via het douanekantoor te T - derhalve via de grens tussen Duitsland en Nederland - uit Duitsland is uitgevoerd, zonder nadere redengeving niet begrijpelijk. 3.5. De tweede en derde klacht kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motiverin