Rechtspraak Hoge Raad 1997-01-08
ECLI:NL:HR:1997:AA3190
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van Burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 september 1995 betreffende na te melden aan X te Z voor het jaar 1993 opgelegde aanslag in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente Haarlem. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 wegens het feitelijk gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1, een aanslag in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente Haarlem opgelegd naar een heffingsgrondslag van f 99.000, --, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling Financiën (hierna: het Hoofd) is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Burgemeester en wethouders hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belasingzaken. Dit arrest is op 8 januari 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse en op die datum in het openbaar uitgesproken.