Rechtspraak Hoge Raad 1997-09-03
ECLI:NL:HR:1997:AA2263
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Ge rechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 juli 1994 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1984 opgelegde aanslag in de premieheffing volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1984 een aan slag in de premieheffing volksverzekeringen opgelegd naar een premie-inkomen van ƒ 68.496,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak alsmede de aanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uit spraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroep < nr. 30.631- ? - > schrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Staatssecretaris heeft, na door de Griffier van de Hoge Raad in de gelegenheid te zijn gesteld aan te tonen met het instellen van het beroep in cassatie niet in verzuim te zijn geweest, bij brief, ingekomen op 8 december 1994, betoogd dat is aangetoond dat zulks het geval is. Belanghebbende heeft, na daartoe door de Grif fier in de gelegenheid te zijn gesteld, zijn vertoog schrift aangevuld met een betoog, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 21 augustus 1996 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie Blijkens een door de Griffier van het Hof op de uitspraak van het Hof gestelde aantekening is een afschrift van die uitspraak met ontvangstbevestiging aan partijen verzonden op 14 juli 1994. Het beroepschrift in cassatie is blijkens een door voornoemde griffier op dit beroepschrift gestel de aantekening op 26 augustus 1994 ter griffie van het Hof ingekomen. Mitsdien is het beroepschrift niet ingekomen binnen de in artikel 6:7 jo. artikel 6:9, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn van zes weken, welke in het onderhavige geval eindigde op 25 augustus 1994. Op grond van hetgeen door de Staatssecretaris is aangevoerd, is evenwel aannemelijk dat het beroep schrift op 24 augustus 1994 ter post is bezorgd, zodat het ingevolge het bepaalde in artikel 6:9, lid 2, van genoemde wet tijdig is ingediend. De Staatssecretaris is derhalve ontvankelijk in zijn beroep. 4. Beoordeling van het middel van cassatie 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uit gegaan: 4.1.1. Belanghebbende, die de Duitse nationaliteit heeft, was in het onderhavige jaar (1984) gedurende het gehele jaar hier te lande woonachtig. Hij was in dat jaar directeur en enige aandeelhouder van de vennootschap naar Duits recht A GmbH te Q (Duits land). Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden geheel op Duits grondgebied. 4.1.2. Beoordeeld naar uitsluitend de regels van Nederlands nationaal recht was belanghebbende voor het jaar 1984 als ingezetene verplicht verzekerd ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de overige volksverzekeringswetten (in de voor het jaar 1984 geldende teksten). Hij was in Duitsland in 1984 verplicht noch vrijwillig voortgezet verzekerd ingevolge enige in Duitsland geldende wettelijke sociale verzekering. 4.2. Belanghebbende heeft zich - voorzover te dezen van belang - voor het Hof op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 13, lid 1, jo. lid 2, aanhef en letter b, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971, zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981, (hierna: de Verordening) op hem voor 1984 slechts de Duitse wetgeving van toepassing was. De Inspecteur heeft dit standpunt bestreden op grond dat belanghebbende in 1984 niet onder de werkingssfeer van de Verordening viel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat belanghebbende, Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 3 september 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, Van der Putt-Lauwers, Van Brunschot en Meij in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het open baar uitgesproken. Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroepschrift in cassatie een recht geheven van f.300,--.Nr. 30.631 Mr Van Soest Derde Kamer A Conclusie inzake: Premie volksverz. 1984 de staatssecretaris van Financiën Parket, 21 augustus 1996 tegen X Edelhoogachtbaar College, 1 . Korte beschrijving van de zaak (processueel). 1.1 . Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna te noemen het Hof) van (donderdag) 14 juli 1994, nr. 380/1989 B, Fiscaal up to date 1 december 1994, blz. 32, punt 94-1977, van welke uitspraak nog op 14 juli 1994 afschrift aan het hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst is gezonden. 1.2 . Het beroep in cassatie is ingesteld door de staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de Staatssecretaris) door middel van een geschrift, het beroepschrift in cassatie, dat op vrijdag 26 augustus 1994 bij het Hof is ingekomen in een enveloppe waarop gedrukt is: "(...) Port betaald (...)"; en waarop geen poststempel voorkomt. Het beroep in cassatie steunt op een middel van cassatie, waarvan de grond wordt aangeduid als (beroepschrift in cassatie, blz. 1) "(...) Toelichting (...)" en bestaat uit acht, met Arabische cijfers genummerde, onderdelen. 1.3 . Van het beroep in cassatie is melding gemaakt in Infobulletin 1994, punt 94/784, blz. 25 . 1.4 . De griffier van Uw Raad (hierna te noemen de Griffier) heeft op 27 oktober 1994 een afschrift van het beroepschrift in cassatie aan de belanghebbende, X, gezonden en daarbij gewezen op de gelegenheid een vertoogschrift in cassatie in te dienen. 1.5 . Op 10 november 1994 heeft de Griffier de Staatssecretaris in de gelegenheid gesteld aan te tonen, "(...) dat redelijkerwijze niet kan worden geoordeeld dat [hij] in verzuim [is] geweest. (...)" 1.6 . Op 8 december 1994 is bij Uw Raad een brief (hierna te noemen de aanvulling van het beroepschrift in cassatie) van de Staatssecretaris ingekomen, waarin met een beroep op art. 6:9, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (Awb) de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie wordt verdedigd. 1.7 . De belanghebbende heeft bij vertoogschrift in cassatie, bij Uw Raad ingekomen op 14 december 1994, het middel bestreden. 1.8 . De Griffier heeft op 27 december 1994 de belanghebbende in de gelegenheid gesteld een aanvullend vertoogschrift in cassatie in te zenden, betreffende de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. 1.9 . De belanghebbende heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij een bij Uw Raad op 9 januari 1995 ingekomen geschrift, het aanvullende vertoogschrift in cassatie, waarin wordt betoogd dat de Staatssecretaris niet-ontvankelijk verklaard moet worden in het beroep in cassatie. 2 . Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. 2.1 . Afdeling 6.2 Awb houdt in: "(...) Art. 6:7. De termijn voor het indienen van een (...) beroepschrift bedraagt zes weken. Art. 6:8. 1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. (...) Art. 6:9. 1. Een (...) beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. 2. Bij verzending per post is een (...) beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. (...) Art. 6:11. Ten aanzien van 2) Het is (...) onaannemelijk (...) dat de staatssecretaris, wetende dat (...) een z.g. "port betaald" enveloppe niet van een poststempel wordt voorzien, (...) dan toch nog deze brief pas op 24 (...) augustus 1994 ter post bezorgt. Hij heeft dan immers (...) geen bewijs (...), waarmede de beroepsinstantie (Uw raad) kan vaststellen of het beroepschrift (...) vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. (...)" 2.8 . Naar het mij voorkomt, kan Uw Raad aan de hand van de geciteerde betogen aannemelijk oordelen dat aan art. 6:9, lid 2, Awb jo. art. 6:24, lid 1, Awb is voldaan. 2.9 . De omstandigheid dat de enveloppe met de aanduiding "Port betaald" bij het Hof is ingekomen binnen één dag na het verstrijken van de cassatietermijn, schept namelijk naar mijn oordeel het vermoeden dat zij vóór het einde van die termijn per post is verzonden, en tegenover dit vermoeden zijn geen concrete aanwijzingen voor een andere gang van zaken gesteld of gebleken. 3 . Korte beschrijving van de zaak (volksverzekeringsrechtelijk). 3.1 . Het Hof heeft overwogen (ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan): "(blz. 1) (...) Belanghebbende is geboren op 3 november 1937, heeft de Duitse nationaliteit en was gedurende het gehele jaar 1984 gehuwd. Komende vanuit de Bondsrepubliek Duitsland (hierna: B.R.D.), alwaar hij in elk geval sedert het jaar 1952 had gewoond, heeft hij zich op of omstreeks 27 december 1982 metterwoon in Z, Nederland, gevestigd, alwaar hij ook gedurende het gehele jaar 1984 nog woonde. (blz. 2) Belanghebbende heeft vanaf 16 april 1952 tot en met 31 maart 1979 in dienstbetrekking in de B.R.D. gewerkt en was in die periode als werknemer verplicht verzekerd volgens de in de B.R.D. geldende Rentenversicherung der Arbeiter dan wel Rentenversicherung der Angestellten, zijnde in de B.R.D. geldende wettelijke regelingen voor werknemers betreffende een of meer takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 4, lid 1, van de Verordening nr. 1408/71 van de Raad van de E.E.G. betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (...) Op enig tijdstip in het jaar 1979, na 31 maart, werd belanghebbende directeur en enig aandeelhouder van A G.m.b.H. (hierna de G.m.b.H.) gevestigd te Q, B.R.D. (...) Als zodanig was hij niet meer "pflichtversichert" krachtens evengenoemde Rentenversicherungen, terwijl hij die verzekeringen ook niet vrijwillig heeft voortgezet. Wel heeft hij, dan wel de G.m.b.H., op verschillende data in totaal drie overeenkomsten van levensverzekering gesloten met B A.G. te R [B.R.D.]. (...) Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden als directeur van de G.m.b.H. uitsluitend in de B.R.D. (...) Vorenomschreven situatie heeft voortgeduurd tot in elk geval het einde van het jaar 1984, in welk jaar belanghebbende derhalve noch verplicht, noch vrijwillig voortgezet verzekerd was volgens enige in de B.R.D. geldende wettelijke sociale verzekering (...)" 3.2 . In geschil is of de belanghebbende in 1984 premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. 3.3 . Het Hof heeft het geschil ten gunste van de belanghebbende beslecht. 4 . Premieplicht van migranten naar Europees recht. 4.1 . Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) 22 mei 1980, zaak 143/79 (Walsh), met conclusie van de advocaat-generaal Capotorti, Jurisprudentie van het HvJ EG 1980, blz. 1639, overwoog (onder 7, blz. 1652), "(...) dat degene die uit hoofde van voordien verplicht betaalde bijdragen, krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat aanspraak kan maken op onder verordening nr. 1408/71 vallende uitkeringen, zijn hoedanigheid van "werknemer" in de zin van de [verordening nr.] 1408/71 (...) niet verliest om de enkele reden dat hij op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis intrad, geen bijdragen meer betaalde en daartoe ook niet verplicht was." 4.2 . HvJ EG 9 juli 1987, gevoegde zaken 82 en 103/86 (Laborero en Sabato), met c 1493, regels 31-38) (...) woonde X , die Duits onderdaan is, in 1982 in de Bondsrepubliek Duitsland en exploiteerde hij als zelfstandige, voor ongeveer de helft van de tijd in Nederland en voor de andere helft in de Bondsrepubliek Duitsland, kramen met eetwaren. 4. Gedurende die periode was X in Duitsland verplicht noch vrijwillig verzekerd (...) Omdat hij niet in Nederland woonde, was hij daar evenmin verzekerd. (blz. 1494, regels 51-56) 10. (...) Volgens lid 1 van (...) artikel [2] is de verordening van toepassing "op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten (...) zijn". Om onder de personele werkingssfeer van de verordening te vallen, moet een onderdaan van een Lid-Staat derhalve aan een sociale-zekerheidsregeling van een of meer Lid-Staten onderworpen zijn of geweest zijn. (blz. 1495, regels 8-16) 12. (...) bijlage I bij de verordening, onder I, Nederland, bepaalt dat als zelfstandige in de zin van (...) de verordening wordt aangemerkt degene die anders dan in dienstbetrekking zijn beroepswerkzaamheden uitoefent. Volgens deze bepaling behoeft de belanghebbende, om de hoedanigheid van zelfstandige te hebben, dus niet noodzakelijkerwijs in Nederland te wonen. 13. Hieruit volgt, dat X ondanks het feit dat hij niet voldoet aan het door de Nederlandse wetgeving gestelde woonplaatsvereiste, moet worden beschouwd als een zelfstandige die onder de personele werkingssfeer van de verordening valt." 4.5 . HR 11 januari 1995, nr. 29.127, met conclusie van de advocaat-generaal Van den Berge, BNB 1995/202 met noot Sinninghe Damsté , overwoog (blz. 1627, regels 4-37): "3.1.1. Belanghebbende, die in het onderhavige jaar (1987) gedurende het gehele jaar in Nederland woonachtig was, heeft zich met ingang van 1 januari 1987 als zelfstandig apotheker in Duitsland gevestigd. Vóór genoemde datum was hij in Duitsland werkzaam als apotheker in loondienst. (...) 3.1.2. In Duitsland was belanghebbende sedert 5 november 1984 verplicht verzekerd bij het zogenoemde Versorgungswerk der Apothekerkammer-A te Q (Duitsland) ter zake van de risico's van ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid. (...) 3.3. De hiervóór in 3.1.1 vermelde feiten brengen met zich, gezien het bepaalde in artikel 2, lid 1, jo. artikel 1, aanhef en letter a, onder ii, en Bijlage I, onder I (thans: J), van de Verordening, mede gelet op het arrest [Zinnecker], dat belanghebbende voor het onderhavige jaar dient te worden aangemerkt als een zelfstandige die onder de personele werkingssfeer van de Verordening valt. 3.4. Op grond van het bepaalde in artikel 13, lid 1, en lid 2, aanhef en letter b, van de Verordening was voor het onderhavige jaar op belanghebbende slechts de Duitse wetgeving van toepassing." 4.6 . HR 11 januari 1995, nr. 29.276, met conclusie van Van den Berge, BNB 1995/204 met noot W. A. Sinninghe Damsté, overwoog: "(blz. 1661, van regel 38 af) 3.1.1. Belanghebbende, die in het onderhavige jaar (1985) gedurende het gehele jaar in Nederland woonachtig was, oefent sedert 1 april 1983 in Q (Duitsland) zelfstandig - tot midden 1985 in maatschapsverband - het beroep van huidarts uit. In het kader van zijn artsenpraktijk exploiteerde hij in 1985 en 1986 in zijn woonplaats Z een laboratorium. Dit laboratorium verrichtte uitsluitend werkzaamheden ten behoeve van de artsenpraktijk van belanghebbende dan wel van de maatschap. Bedoelde werkzaamheden werden onder toezicht en verantwoordelijkheid van belanghebbende, uitgeoefend door diens echtgenote en een assistente. De werkzaamheden in het laboratorium vergden weinig tijd van belanghebbende; hij was slechts incidenteel daadwerkelijk in het laboratorium aanwezig. (...) 3.1.2. In Duitsland was belanghebbende sedert 1 januari 1976 wettelijk verplicht lid van de Aertztekammer A te R (Duitsland) en dientengevolge verplicht verzekerd bij de (blz. 1662, tot en met regel 32) Aertzteversorgung A ter zake van de risico's van ouder