Rechtspraak Hoge Raad 1997-08-29
ECLI:NL:HR:1997:AA2250
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 april 1996 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de dividendbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1989 een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 457.774,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 222.154,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd, de aanslag heeft verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 396.092,-- aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van de nageheven belasting van 10 percent. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: B N.V., gevestigd op de Nederlandse Antillen, is sinds 30 juni 1985 de enige aandeelhouder van belang hebbende. In 1985 heeft belanghebbende uit eigen middelen ƒ 1.146.655,-- (tegenwaarde £ 250.000,--) verstrekt aan D (UK) Ltd. In 1985, 1986 en 1987 heeft belang hebbende in totaal van B N.V. geleend £ 2.605.231,--, welk bedrag in dezelfde valuta weer is uitgeleend aan D (UK) Ltd. Hoewel D (UK) Ltd een rente van 18% aan belang hebbende zou zijn verschuldigd en belanghebbende in haar boekhouding is uitgegaan van een aan B N.V. verschuldigde rente van 17 7/8%, heeft zij nimmer rente ontvangen van D (UK) Ltd of betaald aan B N.V.; ter zake van deze rente is wel een vordering respectievelijk een schuld in de boeken van belanghebbende opgenomen. D (UK) Ltd leende de van belanghebbende ontvangen bedragen (ten dele) uit aan K Ltd, welke vennoot schap zich bezig hield met onroerendezaak projecten in Engeland. Een bedrag van £ 110.000,-- is doorgeleend aan M Ltd. Belanghebbende heeft haar activiteiten per 1 januari 1989 beëindigd. D (UK) Ltd is op 12 augustus 1989 geliquideerd. Bij overeenkomst van 1 mei 1989 zijn met ingang van 1 januari 1989 de vorderingen op K Ltd overgenomen door B N.V. 3.2. De Inspecteur heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat B N.V. door deze overeenkomst de vordering van belanghebbende op D (UK) Ltd, ten bedrage van ƒ 15.249.463,--, verkrijgt onder kwijtschelding van de schuld van belanghebbende aan B N.V., ten bedrage van ƒ 13.916.539,-- en belanghebbende door deze vereffening voor een bedrag van ƒ 1.332.924,-- wordt benadeeld. Voor het onderhavige jaar heeft de Inspecteur - zoals gespecificeerd in 2.23 van 's Hofs uitspraak - een uitdeling van winst ten bedrage van ƒ 1.373.322,-- in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat ingevolge deze overeenkomst een bedrag van ƒ 1.332.924,-- ten laste van haar resultaat kan worden gebracht. 3.3. Ten aanzien van de aan D (UK) Ltd uit eigen middelen verstrekte geldlening (in guldens) heeft het Hof aannemelijk geacht dat deze is verstrekt ter wille van de aandeelhouder en ter financiering van de koopsom van de aandelen in belanghebbende en geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat voor deze vordering zekerheden zijn bedongen. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. In zoverre middel I zich tegen dit oordeel richt, faalt het derhalve. 3.4. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat verliezen op een onder dergelijke omstandigheden verstrekte geldlening in het algemeen niet ten laste van het fiscale resultaat kunnen worden gebracht, daar als regel moet worden aangenomen dat het debiteurenrisico bewust ten behoeve v