Rechtspraak Hoge Raad 1997-08-29
ECLI:NL:HR:1997:AA2249
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 21 maart 1996 betreffende de haar voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 2.314.720,--, welke aan slag op het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr dr R.W.F. Hendriks, advocaat te 's-Hertogenbosch. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 13 maart 1997 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende kwam in oktober 1988 met de co ?operatie A BA overeen onder de naam B B.V. een dochtervennootschap op te richten; deze vennootschap kwam in november 1988 tot stand. In het gestorte kapitaal van ƒ 100.000,-- nam belanghebbende deel voor 25%, A BA voor 75%. De Rabobank verleende in oktober 1988 aan belanghebbende en A BA, handelend als oprichters van B B.V., een krediet van ƒ 2.000.000,--. Zowel belanghebbende als A BA waren voor dit krediet hoofdelijk aansprakelijk; deze aansprakelijkheid bleef na de totstandkoming van de B.V. bestaan. B B.V. leed in haar eerste boekjaar, dat eindig de op 31 augustus 1989, een verlies van ƒ 2.000.285,--. In mei 1990 kwam belanghebbende met A BA overeen haar aandelen in B B.V. voor ƒ 25.000,-- aan A BA over te dragen, en voorts aan A BA ƒ 250.000,-- te betalen, waartegenover laatstgenoemde de verplichtingen tegenover de Rabobank uit hoofde van voormelde kredietovereenkomst van belanghebbende overnam en zich verplichtte ervoor zorg te dragen dat belanghebbende uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid tegenover de Rabobank zou worden ontslagen. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de betaling van ƒ 250.000,-- bij de bepaling van de winst van belanghebbende buiten aanmerking blijft. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende zich in haar kwaliteit van (toekomstig) aandeelhouder van B B.V. voor de schulden van B B.V. i. o. aansprakelijk heeft gesteld, dat na de oprichting van de B.V. in die situatie geen verandering is gekomen, en dat belanghebbende in haar kwaliteit van aandeelhouder van B B.V. aansprakelijk bleef voor schulden van deze B.V. Het Hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat het nadeel dat belanghebbende heeft geleden doordat zij aansprakelijk was voor de schulden van die B.V., behoort tot de resultaten uit hoofde van een deelneming als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en de betaling van ƒ 250.000,-- derhalve, overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur, bij de bepaling van de winst van belanghebbende buiten aanmerking blijft. 3.3. Het middel bestrijdt deze oordelen. Het strekt ten betoge: dat de door belanghebbende aan de Rabobank verstrekte zekerheidstelling gelijk is te stellen aan een directe financiering van B B.V.; dat belanghebbende ter zake van de kredietverlening heeft gehandeld als een normale geldverstrekker, en de zekerheidstelling niet afwijkt van de handelwijze van een zakelijke financier; dat het karakter van een geldverstrekking moet worden beoordeeld op het moment van die geldverstrekking; dat een en ander meebrengt dat die zekerheidstelling door belanghebbende niet is verricht in haar kwaliteit van aandeelhouder. 3.4. De Memorie van toelichting (Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1959-1960 - 6000, nr. 3, blz. 20) hield in (ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan): "(linkerkolom, 2e al. v. o.) 4. De vrijstelling zal niet alleen gelden voor dividenden doch zich uitstrekken tot al hetgeen uit hoofde van de deelneming wordt genoten. (...) Het (...) begrip "voordelen" omvat (...) evenzeer de negatieve resultaten. (...) (rechterkolom, 4e al.) 5. (...) (5e al.) (...) De (...) term "voordelen" heeft betrekking op het saldo van bepaalde positieve en negatieve brutobedragen. (...) Als negatieve bedragen gelden afboekingen op de boekwaarde van de deelneming, alsmede, verlies bij verkoop of liquidatie. (...) de met de deelneming verband houdende kosten, zoals de kosten van een geldlening waarmede de deelneming wordt gefinancierd en de zogenaamde beheerskosten, [zullen] niet (...) op de ter zake van de deelneming vrijgestelde baten in mindering behoeven te worden gebracht. Daardoor wordt voorkomen dat deze kosten (...) noch bij de moedermaatschappij, noch bij de dochtermaatschappij ten laste van de winst zouden kunnen worden gebracht. (...) het (...) in aanmerking nemen van deze kosten [leidt] tot een gezond resultaat in de binnenlandse verhoudingen (...)" C. . HR 20 april 1977, nr. 18.065, met mijn conclusie, BNB 1977/162 met noot A. Nooteboom. 1. . Hof 's-Gravenhage 26 februari 1976 overwoog (blz. 711, regels 27-40), "dat het niet voor de hand ligt aan te nemen, dat in het vierde lid van art. 13 (...) het begrip kosten (dat wil zeggen ondernemingskosten) ruimer zou moeten worden opgevat dan bij de heffing van vennootschapsbelasting overigens dient te geschieden en dientengevolge mede zou omvatten in de kapitaalssfeer - als gevolg van wijziging in de waarde van activa en/of passiva - geleden verliezen (...); dat derhalve, zou door belanghebbende bij de gedeeltelijke aflossing van haar schuld uit geldlening verlies zijn geleden als gevolg van een koersstijging van de dollar, dat verlies - hoezeer ook verband houdende met de (...) deelneming - niet zou zijn te rangschikken onder de in art. 13, lid 4, bedoelde kosten (...)" 2. . De betrokken belanghebbende voerde in haar eerste middel primair aan dat (blz. 712, regels 24-25) "(...) het begrip kosten in dit verband omvat: alle positieve en negatieve offers die met de deelneming verband houden." 3. . Uw Raad overwoog (blz. 716, regels 20-34), "dat (...) reeds het gebruik van de term kosten erop duidt dat de wetgever in artikel 13, lid 4, daarbij niet het oog heeft gehad op al hetgeen op de winst in aftrek kan worden gebracht; dat dit in zover bevestiging vindt in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13, lid 4, dat de voorbeelden van kosten welke (...) zijn gegeven, niet betrekking hebben op in het algemeen in verband met de deelneming geleden verliezen doch uitsluitend op in verband daarmee gedane lopende uitgaven (...); dat verliezen, geleden als gevolg van een wijziging in de valutaverhoudingen bij de aflossing van een in verband met een deelneming aangegane geldlening dan ook niet als kosten in de zin van artikel 13, lid 4, kunnen worden aangemerkt (...); dat het middel in zijn primaire onderdeel derhalve niet tot cassatie kan leiden (...)" D. . Hof 's-Gravenhage, Tweede Meervoudige Belastingkamer, 15 januari 1981, nr. 91/80, BNB 1982/118, overwoog, "(blz. 543, regels 9-17) (...) dat naar de bedoeling van de partijen bij de overeenkomst de aandelen zouden worden verkocht voor het bedrag van de op 1 januari 1972 daaraan toe te kennen verkoopwaarde; dat dit laatste tevens in het licht stelt dat hetgeen in art. 1 der overeenkomst onder de benaming van rente is bedongen niet alleen juridisch doch ook in economisch opzicht de betekenis van rente mist; dat uit (...) het voorgaande volgt dat ook deze in art. 1 (slot) van de koper bedongen prestatie dient te worden gerekend tot de door belanghebbende uit hoofde van haar deelneming in de vennootschap genoten voordelen in de zin van art. 13 Vpb dat het Hof (...) in aanmerking genomen de geloofwaardige verklaring van belanghebbende volgens welke zij de voldoening van het (...) bedrag ad f 116.769,53 op zich heeft genomen mede in verband met de bankgarantie ter dekking van de bankschulden van de dochtermaatschappij, welke bankgarantie volgens de vaststaande feiten in maart 1979 door belanghebbende is afgegeven (...), van oordeel is dat voor de fiscale behandeling van het nadeel ad f 116.769,53 van beslissende betekenis is of belanghebbende de bedoelde bankgarantie al dan niet heeft afgegeven in haar kwaliteit van aandeelhoudster van de dochtermaatschappij; 8. dat het, naar van algemene bekendheid is, usance is dat banken voor door hen verstrekte overigens ongedekte kredieten, ingeval de kredietnemer een kleinere vennootschap op aandelen is, eisen dat de aandeelhouder van de kredietnemer zekerheid stelt en het Hof er van uitgaat, nu niet gesteld of gebleken is dat de in de vorige overweging bedoelde bankgarantie op andere gronden dan deze usance is geëist en verstrekt, dat belanghebbende de bedoelde bankgarantie uitsluitend heeft verstrekt in haar kwaliteit van aandeelhoudster van de dochtermaatschappij; 9. dat uit het in de vorige overweging gegeven oordeel volgt dat het nadeel van f 116.769,53 rechtstreeks voortvloeit uit het bezit van de aandelen in de dochtermaatschappij en mitsdien moet worden aangemerkt als een onder artikel 13, lid 1, van de Wet vallend (negatief) voordeel uit hoofde van de aandelen in de dochtermaatschappij (...)" I. . HR 27 januari 1988, nr. 23.919, met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Verburg, BNB 1988/217 met noot G. Slot, overwoog, "(blz. 1344, van regel 34 af) 4.2. (...) dat ter beantwoording van de vraag of voor de toepassing van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een geldverstrekking door een moedervennootschap aan haar dochtervennootschap als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, als regel een formeel criterium moet worden aangelegd, zodat in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend is voor de fiscale gevolgen. (...) 4.4. (...) Van deze regel is (...) uitgezonderd het geval dat een belastingplichtige op grond van zijn positie als aandeelhouder in een vennootschap in welke hij een deelneming in de zin van artikel 13 houdt, aan deze vennootschap een geldlening verstrekt onder zodanige omstandigheden dat aan de uit die lening voortvloeiende vordering, naar hem reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest, voor het geheel of voor een gedeelte geen waarde toekomt omdat het door hem ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald, zodat het geheel of gedeeltelijk zijn vermogen - voor zover dat niet bestaat uit de aandelen in de dochtervennootschap - blijvend heeft verlaten. In zodanig geval moet de lening voor de toepassing van artikel 13 worden aangemerkt als een toevoeging aan het vermogen van de dochtervennootschap van het be- (blz. 1345, tot en met regel 7) drag dat in voege als voormeld het vermogen van de belastingplichtige heeft verlaten, hetgeen met zich brengt dat de kostprijs van de deelneming met dit bedrag wordt verhoogd. Het verlies dat ontstaat doordat hetgeen aldus aan de dochtervennootschap wordt verstrekt, in de waarde van de deelneming niet wordt teruggevonden, dient met toepassing van het eerste lid van artikel 13 bij de bepaling van de winst van de belastingplichtige buiten aanmerking te blijven." . HR 20 april 1988, nr. 24.533, BNB 1988/232 met noot Slot, overwoog (blz. 1450, regels 27-53): "4.1. Het Hof heeft vastgesteld (...): 1. dat B N.V., van welke vennootschap belanghebbende alle aandelen bezat, op 21 december 1979 een interim_dividend van US $ 20 miljoen betaalbaar heeft gesteld (...), 3. dat B bij brief van 28 december 1979 belanghebbende van de betaalbaarstelling van het dividend in kennis heeft gesteld, met het verzoek om, op grond van gebrek aan liquide middelen, de betaling te mogen uitstellen tot uiterlijk 31 Er zijn zekere argumenten aan te voeren om het gehele voor rekening van de belanghebbende komende bedrag onder de deelnemingsvrijstelling te brengen in verband met het gegeven dat die betaling al met al voortvloeide uit het enkele (?) afwikkelen van de vervreemding van de deelneming. (...)" L. . HR 3 maart 1993, nr. 28.329, BNB 1993/141. 1. . Hof Arnhem 25 juli 1991, nr. 136/1990, overwoog (onder 4.3, blz. 1102, regels 30-37): "De voorwaarden waaronder de SA geld leende aan belanghebbende zijn (...) van dien aard dat de SA met de uitgeleende bedragen in zekere mate deel heeft genomen in de onderneming van belanghebbende. Tot dit oordeel leiden (...) met name de voorwaarden omtrent de aflossing (...) die eenzijdig in belanghebbendes voordeel zijn, en de omstandigheid dat aanvankelijk in het geheel geen zekerheid is bedongen en de waarde van de in 1983 bedongen zekerheden achterbleef bij de omvang van de verstrekkingen." 2. . Uw Raad overwoog (onder 3.2): "(blz. 1101, van regel 53 af) Het Hof heeft (...) geoordeeld dat de (...) SA met de uitgeleende gelden in zekere mate heeft deelgenomen in de onderneming van belanghebbende. (...) Het oordeel geeft (...) niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven (blz. 1102, tot en met regel 4) met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. (...) Het Hof heeft met juistheid overwogen dat onder deze omstandigheden de civielrechtelijke vorm van de verstrekkingen niet beslissend is voor de fiscale gevolgen (...)" M. . HR 3 maart 1993, nr. 28.598, BNB 1993/180 met noot Slot. 1. . Uw Raad overwoog (blz. 1330, regels 12-30): "3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat indien bij een vervreemding van een deelneming een tegenprestatie wordt bedongen waarvan het beloop gedurende enkele jaren wezenlijk onzeker is, de waardeveranderingen van de aldus ontstane vordering zo nauw samenhangen met de vervreemding, dat deze waardeveranderingen tot de voordelen uit hoofde van die deelneming moeten worden gerekend. (...) 3.3. Indien (...) een deelneming wordt vervreemd tegen een koopprijs, mede bestaande uit een recht op toekomstige uitkeringen waarvan het totale bedrag weliswaar onzeker is, doch niet afhangt van feiten of omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de waarde van de vervreemde aandelen, dient de opbrengst van de deelneming te worden bepaald met inachtneming van de geschatte waarde van dat recht, en kunnen waardeveranderingen van dat recht, die zich naderhand voordoen, niet worden aangemerkt als voordelen uit hoofde van de deelneming, als bedoeld in artikel 13 (...) Een dergelijk bestanddeel van het ondernemingsvermogen kan naar zijn aard zelfstandig tot winsten en verliezen leiden. De omstandigheid dat het is verkregen door de vervreemding van een deelneming, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat deze winsten en verliezen uit de vroegere deelneming voortvloeien." 2. . Slot annoteerde (blz. 1334, regels 8-13): "In het arrest wordt mijns inziens terecht gezegd dat waardeveranderingen van het "winstrecht" niet onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Er bestaat, aldus de Hoge Raad, onvoldoende verband tussen de ontwikkeling van de waarde van het "winstrecht" en die van de aandelen A. De waarde van de aandelen wordt mijns inziens bijvoorbeeld mede beïnvloed door de verwerving van nieuwe cliënten. Vergelijk ook BNB 1988/332 * betreffende de waardeverandering van te vorderen dividend." N. . Hof Amsterdam 16 april 1993, nr. 91/1869, VN 5 augustus 1993, blz. 2563, punt 10, overwoog (onder 5.2, blz. 2566): "De verstrekkingen van geldmiddelen aan de deelneming zijn een uitvloeisel van de (...) afgegeven net-worth-statements. In deze net-worth-statements garanderen belanghebbende en RI Inc. als aandeelhouders van RN BV tegenover de bank dat het eigen vermogen van RN BV zal worden aangevuld voor het geval dat dit eigen vermogen onder het gegarandeerde minimum zou komen. (...) Waar (...) de geldverstrekking voortvloeide uit de n Het Hof heeft geoordeeld dat, indien (...) een deelneming wordt vervreemd tegen een koopprijs die voor de vervreemder mede bestaat uit een garantieverplichting jegens een derde, waarvan de waarde ten tijde van de verkoop vaststaat doch waarvan het uiteindelijke beloop ten tijde van de verkoop onzeker is, en welk beloop niet afhangt van feiten en omstandigheden, die rechtstreeks verband houden met de waarde van de vervreemde aandelen ten tijde van de vervreemding, doch met het toekomstige waardeverloop van de verkochte aandelen, de opbrengst van de deelneming dient te worden bepaald met inachtneming van de geschatte waarde van de verplichting ten tijde van de verkoop, en dat waardeveranderingen van de verplichting, die zich naderhand voordoen, niet kunnen worden aangemerkt als voordelen uit hoofde van de deelneming als bedoeld in artikel 13 van de Wet. Het Hof heeft aan dat oordeel, ervan uitgaande dat partijen de waarde van de verplichting per verkocht aandeel ten tijde van de vervreemding op ƒ 1,65 en per 31 december 1985 op nihil hebben gesteld, de gevolgtrekking verbonden dat de vrijgestelde deelnemingswinst moet worden bepaald op ƒ 27,35 per aandeel en dat de waardeverandering van de verplichting ad ƒ 1,65 bij het bepalen van de fiscale winst niet buiten aanmerking blijft. 3.3. Deze oordelen worden door het middel tevergeefs bestreden, aangezien het Hof op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven. (...)" 2. . Mw. Verhagen annoteerde (blz. 1691): "(...) Dit arrest geef een nadere invulling van het begrip "voordelen uit deelneming". Volgens constante jurisprudentie is vereist dat de voordelen uit hoofde van aandeelhouderschap moeten zijn opgekomen (...)" T. . In HR 13 maart 1996, nr. 30.096, met mijn conclusie, BNB 1996/366 met noot Daniels, was de vraag aan de orde, of bij de bepaling van de belastbare winst van de betrokken belanghebbende, die haar aandelen in A NV had verkocht aan haar medeaandeelhouders tegen een koers van 115 %, terwijl de going-concernwaarde 200 % was, het verschil tussen 200 % en 115 %, welk verschil werd veroorzaakt doordat de belanghebbende geen diensten van A meer zou afnemen, als schadeloosstelling in mindering gebracht behoorde te worden. 1. . Hof Amsterdam 30 december 1993, nr. 92/3866, overwoog (onder 5.5, blz. 2977, regels 12-24): "(...) dat het beëindigen van de afname van de diensten mede tot schade voor de resterende aandeelhouders leidde, dat belanghebbende als gevolg van dit beëindigen gekoppeld aan de verkoop van de aandelen belangrijke investeringen in (...) A vermeed en dat al deze omstandigheden belanghebbende er toe brachten de aandelen (...) aan haar medeaandeelhouders te verkopen voor een prijs lager dan de waarde die voor de voortzettende aandeelhouders gold, en voorts dat de medeaandeelhouders als (...) kopers van de aandelen slechts bereid waren de aandelen van belanghebbende over te nemen voor die lagere prijs omdat zij er rekening mee hielden dat zij als (...) aandeelhouders van A verliezen zouden lijden c.q. kapitaal in A zouden moeten inbrengen mede in verband met het voorziene onderbezettingsverlies van A. Onder deze omstandigheden ziet het Hof onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de aandelen in wezen voor 200% (...) zijn verkocht en dat daartegenover een schadevergoeding aan (...) A is betaald." 2. . Uw Raad verwierp het cassatieberoep van de belanghebbende. U. . Daniels, BNB 1996/368, annoteerde: "(blz. 3000, regels 5-7) 4. Bij de verkoop van een deelneming zal de verkoper er naar streven om kosten zoveel mogelijk van de deelneming af te scheiden en ten laste van de winst te brengen en om baten zoveel mogelijk als vrijgestelde opbrengst van de deelneming aan te merken. (...) (blz. 3001, regels 29-43) 6. Samenvattend leidt deze rechtspraak tot het volgende beeld. Kosten die worden gemaakt of voordelen die worden behaald in verband met de aankoop van een deelneming worden beheerst door het causaliteitsvraagstuk; is de aankoop van de deelneming er de oorzaak (...) Vanuit risico oogpunt aan de kant van de zekerheidsverstrekker is een zekerheidsstelling dan ook gelijk te stellen aan een daadwerkelijke financiering. (...) (blz. 2) (...) Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden op welk moment het al of niet handelen als aandeelhouder als zodanig moet worden vastgesteld. Dat kan alleen maar het moment zijn waarop de aandeelhouder zekerheid stelt. (...)" IV. . De bestreden uitspraak. Het Hof heeft overwogen: "(blz. 6) (...) 4.1. Blijkens de akte van oktober 1988, waarin de (...) kredietovereenkomst is vervat (...) handelden [de belanghebbende] en A BA bij het afsluiten van de kredietovereenkomst "als oprichters van B B.V. i.o.". Hieraan ontleent het hof het vermoeden dat [de belanghebbende] zich in haar kwaliteit van (toekomstig) aandeelhouder van B B.V. voor de schulden van B B.V. i.o. aansprakelijk heeft gesteld. Dit vermoeden is niet door [de belanghebbende] ontzenuwd. (blz. 7) 4.2. [De belanghebbende] maakt niet aannemelijk dat na 29 november 1988, de datum waarop B B.V. is opgericht, een wijziging in de onder 4.1. bedoelde situatie is gekomen. Van andere zakelijke betrekkingen tussen [de belanghebbende] en B B.V. die het aanvaarden van aansprakelijkheid door [de belanghebbende] voor schulden van haar dochter zou kunnen verklaren, is het hof niet gebleken. Het hof neemt derhalve aan dat [de belanghebbende] in haar kwaliteit van aandeelhouder van B B.V. aansprakelijk bleef voor schulden van B B.V. 4.3. Vorenstaande oordelen leiden tot de conclusie dat het nadeel dat [de belanghebbende] heeft geleden doordat zij aansprakelijk was voor schulden van B B.V. (...) behoort tot de resultaten uit hoofde van een deelneming als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. (...)" V. . Het middel. A. . Het middel houdt in (ik vermeld de vindplaatsen in het beroepschrift in cassatie): "(blz. 3) (...) In zijn oordeel is het Gerechtshof geheel voorbij gegaan aan de standpunten waarop [de belanghebbende] zich in haar beroep heeft gesteld. [De belanghebbende] heeft (...) gesteld, dat: - (...) - (...) - de zekerheidstelling door [de belanghebbende] gelijk is te stellen aan een directe financiering aan B B.V. Het karakter van de zekerheidstelling in financieel-economische zin is niets anders dan een bijzondere vorm van financiering; - (...) - (...) - aldus [de belanghebbende] terzake van de kredietverlening heeft gehandeld als een normale geldverstrekker en de zekerheidsstelling niet afwijkt van de handelwijze van een zakelijke financierder, zodat de zekerheidstelling door [de belanghebbende] niet is verricht in haar kwaliteit van aandeelhouder; (...) (blz. 4) (...) de kwalificatie van het handelen van [de belanghebbende] moet worden beoordeeld op het moment van het afsluiten van de kredietovereenkomst. (...) Op dat moment hadden zowel [de belanghebbende] als A BA positieve verwachtingen van de samenwerking en van de resultaten die in de toekomst behaald zouden worden door de op te richten gezamenlijke dochter (...) Een derde zou deze overeenkomst op zakelijke gronden ook hebben willen aangaan. (...)" B. . De geëerde pleiter voor de belanghebbende heeft betoogd (pleitnota mr dr Hendriks): "(blz. 4) (...) 3. Primair moge belanghebbende (...) betogen dat zij in het kader van de betaling van de ad ƒ 250.000,-- niet in haar hoedanigheid/kwaliteit van aandeelhoudster heeft gehandeld doch in haar kwaliteit van financier. (...) (blz. 5) (...) 4. Subsidiair moge belanghebbende betogen dat de door haar aan A BA betaalde ƒ 250.000,-- nimmer te kwalificeren kan zijn als een (negatief) voordeel uit deelneming. Allereerst moge belanghebbende opmerken dat artikel 13 lid 1 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 alleen ziet op deelnemingskosten met betrekking tot buitenlandse deelnemingen. B B.V. is geen buitenlandse deelneming. (...) (blz. 8) 5.3.2 (...) Het feit dat deze ƒ 250.000,-- aan A BA zijn betaald ter voorkoming van het feit dat in de toekomst wellicht voor belanghe