ECLI:NL:HR:1997:AA2219
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 februari 1995 betreffende de hem opgelegde aanslag in de bouwgrondbelasting complex a van de gemeente Ermelo.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is als genothebbende krachtens zakelijk recht van de aan het ab-veld te Ermelo gelegen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Ermelo, sectie K, nummer , een aanslag in de bouwgrondbelasting complex a van de gemeente Ermelo opgelegd ten bedrage van ƒ 340.800,60. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, overeenkomstig het verzoek van belanghebbende om de belasting niet te heffen in de vorm van een heffing ineens maar in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende twintig jaar verminderd tot een aanslag voor het jaar 1988 ten bedrage van ƒ 32.169,17 en voor het overige bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Ermelo (hierna: B en W) gehandhaafd. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. B en W hebben bij een ambtshalve genomen beschikking van 27 oktober 1994 de aanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 31.980,06. Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de aanslag gehandhaafd zoals deze door B en W ambtshalve is verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. B en W hebben een vertoogschrift ingediend. Partijen hebben de zaak doen toelichten, B en W door mr J.W. Meijer, advocaat bij de Hoge Raad, en belanghebbende door mr H.A. Wiggers, advocaat te Arnhem.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
Dit arrest is op 8 juli 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.