Rechtspraak Hoge Raad 1997-06-25
ECLI:NL:HR:1997:AA2188
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 juni 1996 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 9.387,--, onder vermeerdering van de belasting met desinvesteringsbetalingen ten bedrage van ƒ 8.084,--. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 9.387,-- met inachtneming van een desinvesteringsbetaling van nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 29 november 1996 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende heeft sinds 7 maart 1985 het 328 ton metende motorschip A, teboekstellingsnummer 111, met bouwjaar 1928, geëxploiteerd. De aankoopsom in 1985 bedroeg ƒ 68.500,--, exclusief aankoopkosten. Ter zake van de investering in dit schip is haar een investeringsbijdrage toegekend van 18,25 percent van ƒ 69.842,--. In 1986 heeft zij nog genvesteerd in een zogenoemde beunkoeler. Over deze investering is een investeringsbijdrage toegekend van 18,5 percent van ƒ 4.215,--. 3.1.2. In 1990 heeft belanghebbende het onderhavige schip aangemeld voor de sloopregeling binnenvaart, neergelegd in Verordening (EEG) nr. 1101/89 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart (Pb EG 1989, nr. L 116/25), welke voor Nederland is ten uitvoer gelegd bij de Wet structurele sanering binnenvaart. Krachtens bedoelde regeling is aan belanghebbende in 1990 een sloopuitkering toegekend van ƒ 44.263,--, op voorwaarde dat zij voormeld schip vóór 1 mei 1990 zou (doen) slopen, dan wel in afwachting van de sloop definitief uit de vaart zou nemen. 3.1.3. In de aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1990 heeft belanghebbende over deze sloopuitkering een desinvesteringsbetaling vermeld van ƒ 8.084,--. 3.1.4. In 1992 is het schip daadwerkelijk gesloopt. De sloopopbrengst heeft ƒ 3.000,-- bedragen. 3.2.1. Voor het Hof was in geschil of voormeld bedrag van de sloopuitkering moet worden gerekend tot de overdrachtsprijs, bedoeld in artikel 61b, lid 1 (oud), van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). 3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het voldoen aan de ter verkrijging van de sloopuitkering op belanghebbende rustende verplichting om het schip te slopen dan wel in afwachting van de sloop definitief uit de vaart te nemen, niet is aan te merken als vervreemding in de zin van voormeld artikel 61b, lid 1, nu hieronder blijkens Hoge Raad 16 januari 1985, BNB 1985/143, moet worden verstaan het aangaan van een obligatoire overeenkomst houdende de verplichting tot levering van een zaak. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat evenmin sprake is van één van de gevallen, vermeld in artikel 61b, lid 2, van de Wet, dat gelet op het uitputtende karakter van die bepaling voor het introduceren van andere fictieve vervreemdingen geen plaats is en dat de stelling van de Inspecteur dat de situatie in wezen niet verschilt van die waarin het schip zou zijn verkocht aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en in diens opdracht zou zijn gesloopt, moet worden verworpen nu in de regeling is gekozen voor een opzet waarin de verantwoordelijkheid voor de sloop van het schip op belanghebbende is gelegd 61ga Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), dat weliswaar met ingang van 1 januari 1990 is vervallen, maar van toepassing is gebleven op investeringen die voordien zijn verricht, houdt in: "(...) vermeerderingen van belasting in verband met investeringen geschieden naar de regelen die zijn gesteld voor het tijdvak waarin de investering heeft plaatsgevonden." B. . De Wet IB 1964 hield in de voor 1985 en 1986 geldende tekst in (ik nummer waar daar aanleiding toe is, de volzinnen): "(...) Artikel 61a. 1. (4e volzin) Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel (...) Artikel 61b. 1. (1e volzin) Ingeval bij het drijven van een onderneming (...) tegen overdrachtsprijzen (...) zaken worden vervreemd, wordt van de overdrachtsprijzen een (...) percentage (...) als desinvesteringsbetaling aangemerkt. (...) 3. Met vervreemding wordt gelijkgesteld: a. het onttrekken van een zaak aan de onderneming; (...) 4. Ingeval een investering ongedaan wordt gemaakt, dan wel met betrekking tot een investering een vermindering, teruggaaf of vergoeding wordt genoten, geldt zulks als vervreemding van een zaak en het bedrag van die investering, vermindering, teruggaaf of vergoeding als overdrachtsprijs. (...)" C. . De resolutie van 25 mei 1954, nr. 211 ("Leidraad bij de toepassing van de investeringsaftrek"), VN 1 juni 1954, blz. 335, punt 2, hield in (§ 8, lid 2, blz. 339): "Van vervreemding van een bedrijfsmiddel is (...) sprake bij (...) elke (...) rechtshandeling welke ten doel heeft het bedrijfsmiddel in andere handen te brengen. (...)" D. . HR 10 februari 1960, nr. 14.162, BNB 1960/123 met noot H. J. Hellema, overwoog voor de toepassing van art. 19, lid 2, 1e volzin, Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (aanmerkelijk-belangregeling; blz. 364, regels 32-38), "(...) dat [onder] vervreemding (...) moet worden verstaan elke rechtshandeling, waardoor de eigenaar van aandelen (...) die aandelen (...) uit zijn vermogen in dat van een ander doet overgaan (...)" E. . HR 9 maart 1966, nr. 15.543, BNB 1966/109, overwoog (blz. 302, regels 16-41), "dat weliswaar, indien "meermalige" emballage (...) aan afnemers van de daarin verpakte produkten tegen (...) statiegeld in gebruik wordt gegeven zonder dat op die afnemers de verplichting tot teruggave van die emballage komt te rusten, de overeenkomsten met de afnemers de strekking hebben, de emballage voor het geval en voor zover die door enige oorzaak niet bij de ondernemer mocht terugkeren, in het vermogen van de afnemers te doen overgaan, en uit dien hoofde ten aanzien van dit aldus uit het vermogen van de ondernemer geraakte bedrijfsmiddel (...) een vervreemding (...) tegen het alsdan aan de ondernemer verbeurde statiegeld inhouden, doch dit geval zich hier niet voordoet; dat immers krachtens [de] Fustverordening de gebruikers van de door belanghebbende tegen (...) statiegeld uitgegeven, haar "onvervreemdbaar" eigendom blijvende "meermalige" emballage verplicht zijn (...) tot teruglevering van die emballage, terwijl die gebruikers zich metterdaad aan deze verplichting plegen te houden (...); dat onder die omstandigheden de - mede door de Fustverordening beheerste - overeenkomsten tussen belanghebbende en de gebruikers van haar fust geenszins de strekking hebben, het uiteindelijk niet bij belanghebbende terugkerende fust in het vermogen van de gebruikers te doen overgaan, zulks met het gevolg dat bij niet-teruglevering van het fust, hetzij tengevolge van tenietgaan, hetzij wederrechtelijk, van vervreemding (...) met betrekking tot dit aldus uit belanghebbendes vermogen geraakte bedrijfsmiddel niet kan worden gesproken (...)" F. . HR 22 april 1970, nr. 16.336, BNB 1970/123, overwoog (blz. 444, regels 35-40), "dat onder vervreemding van een bedrijfsmiddel (...) moet worden verstaan het aangaan van een obligatoire overeenkomst houdende de verplichting tot levering van dat object, met dien verstande dat, indien deze verp Men kan niet zeggen dat dit recht stoelt op een obligatoire overeenkomst; het is een aanspraak die voortvloeit uit een wettelijke regeling." 1. . De Staatssecretaris stelde weliswaar beroep in cassatie in, maar werd daarin wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. III. . Enkele gegevens over de ontwikkeling van de rechtsstrijd. A. . Het vertoogschrift van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P (hierna te noemen de Inspecteur) hield in (onder 6; ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan): "(blz. 3) (...) Naar mijn mening is de van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat ontvangen sloopuitkering aan te merken als (een onderdeel van) de overdrachtsprijs terzake van de vervreemding van het schip en leidt deze tot verschuldigdheid van een desinvesteringsbetaling. (...) (blz. 4) (...) Zodra de aanvraag van de sloopuitkering door het Fonds is aanvaard, verliest de schipper/eigenaar het vrije beschikkingsrecht over het schip. Hem rest nog de verplichting er voor zorg te dragen dat het schip door een sloper wordt gesloopt. In wezen verschilt de hiervoor geschetste situatie niet van die waarin het schip aan genoemd ministerie zou zijn verkocht en het schip in haar opdracht zou zijn gesloopt (vergelijk in dit verband artikel 7, lid 4, van de Verordening 1102/89 ). (blz. 5) Ook de sloper, in wiens handen het schip ingevolge de sloopovereenkomst overgaat, verkrijgt geen vrije beschikkingsmacht over het schip. Hij dient slechts als intermediair om tot de sloop van het schip te geraken. (...) In casu bestaat de vervreemding van het schip uit een geheel van rechtshandelingen en rechtsfeiten die er uiteindelijk toe moet leiden dat de binnenschipper zijn in beginsel nog waardevolle laadruimte aan de markt onttrekt. Waar de sloper, behoudens de daadwerkelijke sloop, elke vrijheid met betrekking tot het verkregen schip ontbeert, gaat het alsdan niet aan, de obligatoire overeenkomst waarbij het schip aan de sloper is vervreemd, los te zien van het geheel van rechtshandelingen en rechtsfeiten waarbij ook het sloopfonds nadrukkelijk partij is. (...) de binnenschipper kiest er in alle vrijheid voor het schip aan een willekeurige derde over te dragen tegen een op normale wijze bepaalde overdrachtsprijs, dan wel het schip aan te melden voor de sloopregeling waarbij de vergoeding zal bestaan uit de sloopuitkering, de opbrengst verkochte onderdelen en de opbrengst van de sloper. (...) Voor de schipper is slechts van belang welke van de beide opties het hoogste bedrag zal opleveren. (...) De nog niet verbruikte werkeenheden van het schip zijn in wezen met inachtneming van de in de sloopregeling binnenvaart gegeven voorschriften aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (als beheerder van het sloopfonds) overgedragen en de binnenschipper ontvangt daarvoor, zoals ook bij een "normale" verkoop het geval zou zijn geweest, een tegenprestatie. (...)" B. . Van de zijde van de belanghebbende is aan het Hof medegedeeld dat van die zijde niemand ter terechtzitting van het Hof aanwezig zou zijn. IV. . De bestreden uitspraak. Het Hof heeft overwogen, "(blz. 3) (...) 6.2. (...) dat voor belanghebbende ter verkrijging van de onderwerpelijke uitkering enkel de verplichting bestond om (...) het schip te slopen dan wel het schip in afwachting van de sloop definitief uit de vaart te nemen. 6.3. Het voldoen aan deze verplichting is niet aan te merken als een vervreemding (...), nu hieronder (...) moet worden verstaan het aangaan van een obligatoire overeenkomst houdende de verplichting tot levering van een zaak. 6.4. Evenmin is hier sprake van een van de gevallen als genoemd in artikel 61b, lid 2, van de Wet. Voor het introduceren van andere fictieve vervreemdingen is hier, gelet op het uitputtende karakter van die bepaling, geen plaats. 6.5. De stelling (...) dat de (...) situatie in wezen niet verschilt van die waarin het schip zou zijn verkocht aan het Ministerie (blz. 4) van Verkeer en Waterstaat en het schip vervolgens in diens op