Rechtspraak Hoge Raad 1997-06-11
ECLI:NL:HR:1997:AA2172
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 maart 1996 betreffende na te melden beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting en alcoholaccijns. 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbende is door het Hoofd Douane district P op 11 februari 1992 schriftelijk uitgenodigd tot betaling van bedragen van ƒ 10.003,-- aan omzetbelasting en ƒ 43.732,50 aan alcoholaccijns. Belangheb bendes verzoek om teruggaaf van die omzetbelasting en accijns is door de Inspecteur bij beschikking van 18 februari 1993 afgewezen, welke beschikking, na daar tegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. > 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Op 26 juni 1989 hebben ambtenaren der invoerrechten en accijnzen te P ten name van belanghebbende, een douane-expediteur, een T2-document voor communautair douanevervoer afgegeven met als goederenomschrijving 150 kartons ouzo en 265 kartons brandy en met vermelding van kantoor van bestemming Hazeldonk/België en als land van bestemming België. Het terugzendingsexemplaar van dit document is door de ambtenaren terugontvangen met het op de ach terzijde gestelde bericht van de Belgische douane- autoriteiten te R dat de goederen op 30 juni 1989 bij hen waren aangekomen en met de aantekening: "vraagt verandering van kantoor van bestemming in R". ambtenaren te P hebben het document als gezuiverd aan gemerkt. Uit een onderzoek van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD) is gebleken dat het document is voorzien van niet op regelmatige wijze verkregen aftekeningen en verklaringen, omdat de goederen hun bestemming niet hebben gevolgd en niet op het kantoor van bestemming zijn aangeboden. Uit dit onderzoek blijkt ook dat de op het onderwerpelijke document vermelde goederen op 26 juni 1989 te Z bij belanghebbende zijn opgehaald en vervolgens te T zonder ambtelijke toestemming zijn gelost, nadat het aan de desbetreffende vrachtauto bevestigde douaneloodje door de bijrijder van de chauffeur van de auto was verwijderd. Uit het rapport komt naar voren dat F te T de opdrachtgever was en dat een persoon genaamd A degene was, die de fictieve aanzuivering heeft verricht. De Inspecteur heeft op de voet van artikel 98, lid 2, van de destijds geldende Algemene wet inzake de douane en de accijnzen (hierna: de AWDA) bij beschikking bepaald dat het document als ongezuiverd wordt aangemerkt en de grondslagen voor de berekening van de belasting vastgesteld. Onder verwijzing naar die beschikking en artikel 114 van de AWDA heeft hij aan belanghebbende de onderhavige uitnodiging tot betaling gezonden. De Inspecteur heeft ter zake van de onderwerpelijke aangelegenheid behalve aan belang hebbende ook aan F en aan A een uitnodiging tot betaling gezonden. 3.2. Het Hof heeft vooropgesteld dat ingevolge artikel 114 van de AWDA bij niet-zuivering van het document dat voor douane-goederen is afgegeven, de belasting aan welke de goederen waarvan het document niet is gezuiverd, bij invoer zijn onderworpen, verschuldigd is door degene te wiens name het document is afgegeven en het beroep van belanghebbende verworpen. 3.2.1. Artikel 22, lid 1, van de Wet op de om zetbelasting 1968 (tekst 1989, hierna: de Wet) ver klaart met betrekking tot de heffing ter zake van invoer van goederen de AWDA van toepassing, zodat anders dan middel Ia stelt, ook op de heffing van omzetbelasting bij invoer arti