Rechtspraak Hoge Raad 1997-06-11
ECLI:NL:HR:1997:AA2155
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 maart 1996 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting. 1. Aanslag en bezwaar Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-00-AA een naheffingsaanslag in de motor rijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijd vak 1 januari 1988 tot en met 30 september 1988, ten bedrage van ƒ 795,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 795,-- aan verhoging. Deze aanslag is, na daartegen ge maakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de ver hoging te verlenen. 2. Loop van het geding tot dusverre Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur alsmede tegen diens besluit geen kwijt schelding van de verhoging te verlenen in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak en dat besluit heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 18 mei 1994, nr. 29.121, vernietigd, met verwijzing van het geding naar hetzelfde gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest. Het Hof heeft de uitspraak en het besluit bevestigd. 3. Het tweede geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de laatstgenoemde uit spraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij ver toogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uit gegaan: Bij brief van 25 september 1995 heeft de Grif fier van het Hof aan belanghebbende medegedeeld dat de mondelinge behandeling van de zaak zou plaatsvin den ter zitting van het Hof op 17 oktober 1995. Naar aanleiding van deze mededeling heeft belanghebbende bij brief van 6 oktober 1995 aan het Hof verzocht hem te berichten wie de behandeling van zijn zaak zou voorzitten, dit "in verband met eerdere nare ervaringen met een raadsheer van de belastingkamer". Griffier van het Hof heeft bij brief van 13 oktober 1995 aan belanghebbende bericht dat de meervoudige kamer die zijn zaak ter zitting zou behandelen, als volgt was samengesteld: 1. mr D.C. Smit; 2. mr J.B.H. Röben; 3. mr J.A. Wolt. Belanghebbende heeft niet aan het Hof bericht bezwaren tegen deze samenstelling te hebben. Ter zitting van het Hof op 17 oktober 1995 is hij niet verschenen. 3.2. Belanghebbende klaagt in de eerste plaats erover dat zijn zaak ter zitting van het Hof op 17 oktober 1995 mede door mr Smit en mr Röben is behandeld. Deze klacht faalt. Uit het bepaalde in artikel 5c, lid 2, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken volgt dat bezwaren tegen het medewerken van een rechter aan het behandelen van een zaak uiterlijk ter zitting van het gerechtshof moeten worden kenbaar gemaakt. De hiervóór in 3.1 vermelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat zulks niet heeft plaatsgevonden. Het wrakingsverzoek is immers pas in het beroepschrift in cassatie ken baar gemaakt. De in het beroepschrift in cassatie vermelde klacht, die naar voren gebracht zou zijn in een schrijven van december 1994, kan niet de processuele functie van een wrakingsverzoek in de onderhavige zaak hebben. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld: dat het op grond van hetgeen de Inspecteur aanvoert met betrekking tot de wisselende inschrijvingen in het kentekenregister en het ontbreken van bewijsstukken van eventuele verkopen in de vorm van betalingsbewijzen, overtuigend aangetoond acht dat belanghebbende gedurende het gehele tijdvak waarover is nageheven, feitelijk en niet geheel voorbijgaand de beschikking over het onderhavige motorrijtuig heeft gehad; dat hetgeen belanghebbende aanvoert aan dit oordeel niet afdoet; dat aan het door belanghebbende overgelegde, zogenoemde vrijwaringsbewijs voor dit geding geen betekenis toekomt, omdat de Inspecteur aannemelijk maakt dat daarin de datum van de overdracht is gewijzigd van 21 okt