Rechtspraak Hoge Raad 1997-03-19
ECLI:NL:HR:1997:AA2133
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 juli 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 december 1992 tot en met 31 december 1992 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 2.162.694,- aan enkelvoudige belasting/ premie volksverzekeringen, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De Staatssecretaris van Financiën heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden. 2.3. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 17 juli 1996 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, is beherend vennoot van een viertal maatschappen die - kort gezegd - ten doel hebben het doen loodsen van schepen en vaartuigen door registerloodsen als bedoeld in artikel 1 van de Loodsenwet. Registerloodsen als hier bedoeld zijn de niet-beherende vennoten van de vier maatschappen. Zij zijn belast met het loodsen van schepen en zij zijn de houders van de aandelen in belanghebbende. Belanghebbende heeft loodsvaartuigen en zogenoemde tenders in gebruik voor het vervoer van de registerloodsen naar en van de schepen die geloodst moeten worden. Deze vaartuigen en tenders beschikken over een zeebrief als bedoeld in de Zeebrievenwet en varen onder Nederlandse vlag. De bemanningen van de loodsvaartuigen en de tenders zijn in dienstbetrekking bij belanghebbende. Deze heeft bij brief van 22 december 1992 aan de belastingdienst medegedeeld dat voor het gehele jaar 1992 de lonen en loonheffing alsnog met toepassing van de in de Wet faciliteit voor de zeevaart vervatte regeling in de loonadministratie over december 1992 zouden worden verwerkt, zodat dit in de verzamelloonstaat 1992 en de jaaropgaven 1992 van de werknemers verwerkt zal zijn. Belanghebbende heeft dienovereenkomstig in de aangifte loonbelasting voor het onderhavige tijdvak, december 1992, vermeld dat over het gehele jaar 1992 op het loon van de bemanningen de verrekeningsbijdrage zeevaart als bedoeld in artikel III van de Wet faciliteit voor de zeevaart is ingehouden en de op dat loon betrekking hebbende aftrekbare kosten gesteld op het in artikel 17, lid 4, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1992; hierna: de Wet) bedoelde bedrag. Het geschil tussen partijen betreft allereerst de vraag of belanghebbende kan worden aangemerkt als een inhoudingsplichtige die het zeescheepvaartbedrijf hier te lande daadwerkelijk uitoefent onder Nederlandse vlag. 3.2. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord op grond van het oordeel dat de door belanghebbende verrichte vervoersactiviteiten met de loodsvaartuigen en de tenders niet zijn te rangschikken onder het uitoefenen van een zeescheepvaartbedrijf in de zin van artikel 17, lid 4, van de Wet. Hiertegen richt zich het middel. 3.3. Noch de bewoordingen van deze bepaling noch de geschiedenis van de totstandkoming daarvan brengen mee dat onder het uitoefenen van het zeescheepvaartbedrijf iets anders zou moeten worden verstaan dan het in het kader van een bedrijf of onderneming voor de vaart op zee exploiteren van zeeschepen in de zin van artikel 17, lid Dit kunnen krachtens de maatschapsovereenkomsten slechts zijn registerloodsen als vorenbedoelde. Deze niet-beherende vennoten zijn belast met het loodsen van schepen. 3.4. De kosten van belanghebbende, waaronder de kosten van haar personeel, voor zover aan de maatschap toe te rekenen, komen ten laste van de maatschap. Van de jaarwinst van de maatschappen komt zes percent van het saldo van haar kapitaalrekening toe aan belanghebbende. De overige winst komt toe aan de niet-beherende vennoten. Een eventueel verlies wordt door hen gedragen. 3.5. Belanghebbende heeft circa 7 loodsvaartuigen en circa 12 zogenoemde tenders in gebruik voor vervoer van de registerloodsen naar en van vorenbedoelde schepen ten behoeve van hun beroepsuitoefening. 3.6. De loodsvaartuigen blijven permanent op zee, met dien verstande dat eens per week aan wal wordt gebunkerd, bevoorraad en van bemanning gewisseld. De loodsvaartuigen kruisen op zogenoemde kruisposten voor de Nederlandse kust en brengen en halen de registerloodsen naar de desbetreffende schepen. 3.7. De tenders worden gebezigd voor het vervoer van de registerloodsen naar de loodsvaartuigen en in bepaalde vaargebieden voor rechtstreeks vervoer van de registerloodsen naar te loodsen schepen. (...)" C. . De bemanningen van de loodsvaartuigen en tenders zijn in dienstbetrekking bij de belanghebbende. D. . In geschil is het antwoord op de vraag, of art. 17, lid 4, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), tekst geldend voor 1992, op de belanghebbende van toepassing is. E. . Het Hof heeft de zojuist weergegeven vraag ontkennend beantwoord. F. . Het beroep in cassatie is zonder motivering en voor het overige in overeenstemming met de voorschriften ingesteld. Na aanvulling steunt het op een middel van cassatie. G. . De staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de Staatssecretaris) heeft bij vertoogschrift in cassatie het middel bestreden. H. . Een overeenkomstige zaak, betreffende het jaar 1993, is bij Uw Raad aanhangig onder nr. 31.467 . In die zaak zal ik geen conclusie nemen. II. . De Loodsenwet (Wet van 7 juli 1988, Stb. 1988, 353). A. . Art. 2, lid 1, Loodswet 1957 hield in: "Aan de Staat wordt voorbehouden de uitsluitende bevoegdheid tot het doen loodsen van zeeschepen in, uit en binnen de Nederlandse zeegaten en zeehavens (...)" B. . De Loodsenwet is met ingang van 1 september 1988 in werking getreden. Zij houdt in de oorspronkelijke tekst in (ik nummer waar daar aanleiding toe is, de volzinnen): "(...) Art. 4. (...) 2. Het is degene die geen daartoe bevoegd registerloods is, verboden diensten als loods aan te bieden dan wel te verlenen aan: a. zeeschepen op loodsplichtige scheepvaartwegen; en b. schepen die anderszins ingevolge een wettelijke regeling verplicht zijn gebruik te maken van de diensten van een loods. (...) Art. 6. 1. (1e volzin) De gezamenlijke registerloodsen vormen de Nederlandse loodsencorporatie. (2e volzin) De corporatie is een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet. (...) Art. 26. Bij (...) algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld ten aanzien van de bedragen, de verschuldigdheid daarvan, de maatstaven voor de vaststelling, alsmede de betaling met betrekking tot: a. de diensten van registerloodsen (...) Art. 61. 1. De Loodswet 1957 (...) wordt ingetrokken. (...)" C. . Bij de voorbereiding van de Loodsenwet werd betoogd (Memorie van antwoord, ontvangen 16 februari 1988, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1987-1988 - 20.290, nr. 8; ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan): "(blz. 14) (...) 6. Beroepsorganisatie en bedrijfsvoering (...) (blz. 15, 2e al.) (...) De [minister van Verkeer en Waterstaat] stelt voorop dat bij de verzelfstandiging de overheid er uiteraard voor dient te zorgen dat de blijvende overheidsverantwoordelijkheid voor onder andere beleid en planning goed is vastgelegd. (5e al.) In de Loodsenwet (...) dient uitsluitend datgene te worden bepaald dat noodzakelijk is voor de ordening en uitoefening van het Bij de behandeling van de nota zei mevrouw Jorritsma - Lebbink (Handelingen, Vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat, 18 mei 1987, UCV 70, blz. 18, rechterkolom, 2e al.): "(...) Omdat ik van mening ben dat er samenhang is tussen de fiscale sfeer en de verruiming van de mogelijkheden om met buitenlandse gezellen te varen, wil ik een motie indienen die zich richt op dit fiscale gebied. (...)" C. . De motie (Bijlagen, nr. 7) hield in: "De Kamer (...) verzoekt de regering (...) na te gaan of er mogelijkheden zijn, het bruto-netto-traject van Nederlandse zeelieden meer in overeenstemming te brengen met dat van hun buitenlandse collega's (...)"; en werd aangenomen (Handelingen Tweede Kamer 10 juni 1987, blz. 85-4266, rechterkolom, 3e al. v. o.). D. . Op 18 juli 1989 werd het Voorstel van Wet faciliteit voor de zeevaart (Bijlagen, 1988-1989 - 21.227, nr. 2) ingediend. 1. . In de Memorie van toelichting, 1988-1989 - 21.227, nr. 3, werd betoogd: "(blz. 1, 1e al .) In de discussie over de beleidsnota "Wel varen onder Nederlandse vlag" (...) heeft de Tweede Kamer zich uitgesproken voor een verkleining van het verschil tussen de bruto-loonkosten voor de werkgever in de zeevaart en de netto gage van de zeevarende (...) Dit uitgangspunt heeft geleid tot (...) de regeling waarop dit voorstel van wet betrekking heeft. Het uitgangspunt van deze regeling is een fiscale lastenverlichting in de vorm van een 35%-aftrek op het loon van de zeevarende, waarvan het effect ten goede komt aan de werkgever in de zeevaart. (blz. 2, 3e al.) Deze (...) (4e al.) (...) maatregel beoogt bij te dragen aan het verbeteren van de concurrentiepositie van de Nederlandse koopvaardij (...) (blz. 3, 2e al. v. o.) De 35%-aftrek wordt toegepast indien de zeevarende in dienst is van een in Nederland gevestigde reder die hier te lande daadwerkelijk het zeescheepvaartbedrijf onder Nederlandse vlag uitoefent met een of meer zeeschepen in de zin van de Zeebrievenwet. Onder daadwerkelijk het zeescheepvaartbedrijf uitoefenen moet in dit verband ook worden verstaan het in eigen beheer varen met gehuurde zeeschepen. Activiteiten die zich beperken tot operationeel beheer van zeeschepen en/of het afsluiten van vervoersovereenkomsten voldoen niet aan de eis van daadwerkelijke uitoefening van het zeescheepvaartbedrijf met een zeeschip. (laatste al.) Vereist is dat de rederij hoofdzakelijk (...) vaart met zeeschepen die de Nederlandse vlag voeren. (...) (blz. 4, 1e al.) (...) Aldus wordt een criterium aangelegd dat bijdraagt aan instandhouding van een koopvaardij onder Nederlandse vlag. (...) (3e al.) Samenloop van de voorgestelde maatregel met bestaande 35%-regelingen in de uitvoeringssfeer - een samenloop die bij voorbeeld denkbaar is in het baggerbedrijf - is ongewenst. In de praktijk zullen deze regelingen ook een kostenverlagend effect hebben. (...) (blz. 10, 4e al.) De inhoudingsplichtige moet het zeescheepvaartbedrijf daadwerkelijk uitoefenen met een of meer bemande, in de vaart zijnde zeeschepen. (...)" 2. . Mondeling betoogde Staatssecretaris Koning (Handelingen 1 november 1989, blz. 12-278): "(linkerkolom, laatste al.) Het doel van het wetsvoorstel (...) is om verlaging van de loonkosten in de zeevaart te bewerkstelligen. Daar- (middenkolom, 1e al.) door kan de concurrentiepositie van de Nederlandse rederijen en daarmee het behoud van een vloot onder Nederlandse vlag worden bevorderd. (...) Overigens staat die fiscale faciliteit niet op zichzelf. Ze maakt deel uit van een pakket stimulerende maatregelen (...)" 3. . In de Memorie van antwoord, Bijlagen Eerste Kamer, 1989-1990, nr. 58a, werd betoogd: "(blz. 4, 2e al. v. o.) (...) leden (...) vragen (...) zich af wat er zo bijzonder is aan de betrokken bedrijfstak ten opzichte van bij voorbeeld het internationaal transport over de weg. (...) (blz. 5, 1e al.) (...) De (...) gemaakte vergelijking met het internationaal vervoer over de weg gaat (...) niet op, omdat daar niet in zo grote mate sprake is van concurrentie met lagel 430, onder 3, stelt de vraag: "VOOR WELKE INHOUDINGSPLICHTIGE GELDT DE REGELING? (...) Een definitie van zeescheepvaartbedrijf wordt niet gegeven. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de regeling ook geldt voor het baggerbedrijf. Ik neem aan dat onder het uitoefenen van een zeescheepvaartbedrijf wordt verstaan elk bedrijf dat zeeschepen in de zin van de zeebrievenwet onder Nederlandse vlag exploiteert. (...)" G. . C. W. M. van Ballegooijen, Loonbelasting, 2e druk, 1992, nr. 15.8, blz. 160, betoogt: "(...) Om de concurrentiepositie van de Nederlandse koopvaardij en de daarmee verbonden werkgelegenheid te verbeteren is in de Wet LB 1964 een faciliteit opgenomen voor de zeevaart. Het betreft de 35%-regeling van art. 17, leden 4 tot en met 7. (...)" H. . De Wet belasting- en premiefaciliteit voor de zeevaart 1995, Stb. 1994, 928, is voor het onderhavige jaar nog niet van toepassing. 1. . Art. 1, lid 1, Wet belasting- en premiefaciliteit voor de zeevaart 1995 houdt in: "In deze wet (...) wordt verstaan onder: (...) c. zeeschip: een schip voorzien van een zeebrief als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Zeebrievenwet, (...) dat in het kader van een onderneming voornamelijk op zee wordt geëxploiteerd dan wel is bestemd voor sleep- en hulpverleningswerkzaamheden op zee en wordt gebezigd voor het verrichten van deze werkzaamheden aan zeeschepen, met uitzondering van het schip dat wordt gebruikt voor de uitoefening van de loodsdienst; (...)" 2. . In de Memorie van toelichting, Bijlagen Tweede Kamer, 1993-1994 - 23.782, nr. 3, werd betoogd: "(blz. 1) (...) I. (1e al.) (...) Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe [de] motie [Boorsma] uit te voeren. (2e al.) De in dit voorstel neergelegde regeling beoogt evenals de huidige faciliteit de loonkosten van de Nederlandse zeescheepvaart te verlichten en bij te dragen aan verbetering van de concurrentiepositie van de Nederlandse koopvaardij en daarmee aan het behoud van een vloot onder Nederlandse vlag met de daaraan verbonden werkgelegenheid. (blz. 5, laatste al.) II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING 1. Artikel 1 (...) De (...) (blz. 6, 1e al.) (...) voorwaarden zijn in grote lijnen gelijk aan die van de oude faciliteit voor de zeevaart (...) Ook met de nieuwe faciliteit wordt beoogd de inhoudingsplichtige een tegemoetkoming te verstrekken voor werknemers die als zeevarende werkzaam zijn op een zeeschip dat de Nederlandse vlag voert en dat wordt geëxploiteerd in het kader van een zeescheepvaartonderneming. (...) (2e al.) Een schip is slechts zeeschip in de zin van deze wet als het is voorzien van een zeebrief (...) Voorts moet het zeeschip in het kader van een onderneming voornamelijk op zee worden geëxploiteerd (...) (3e al.) Een schip wordt niet als zeeschip in de zin van deze regeling aangemerkt als het wordt gebruikt voor de loodsdienst. Loodsboten worden gebruikt voor de openbare dienst en verkeren als het ware in een monopoliepositie. De noodzaak tot verlaging van de loonkosten om de concurrentiepositie te verbeteren doet zich hier niet voor." IV. . Investeringspremies. A. . Naar luid van art. 4 Besluit Investeringspremie Zeescheepvaart 1984, Stcrt. 16 februari 1984, nr. 34, blz. 4, "(...) kan een investeringspremie worden verstrekt indien aan de volgende vereisten is voldaan: a. de investeerder dient sedert 1 januari 1979 hier te lande daadwerkelijk het zeescheepvaartbedrijf uit te oefenen; (...)" B. . De in de Stcrt. t. a. p. opgenomen toelichtende brief van de minister van Verkeer en Waterstaat hield in: "(...) Op dit moment zijn de concurrentiepositie en de rentabiliteit van de Nederlandse zeescheepvaart nog onvoldoende om de noodzakelijke investeringen geheel op eigen kracht te realiseren. Ook de huidige scheepvaartcrisis en de steun die andere landen aan hun scheepvaart geven hebben bij de beslissing tot continuering van de investeringssteun een rol gespeeld. Met een meerjarige regeling komt de Regering tegemoet aan de bestaande wens van de Kamer en de reders. (...) Ten einde oneige Verder ben ik van mening, dat in het geval belanghebbende zich wel kwalificeert voor toepassing van de bedoelde faciliteit, het fiscaal niet is toegestaan: a. de regeling met terugwerkende kracht toe te passen en b. te hoge inhoudingen en afdrachten aan loonbelasting/ premie volksverzekeringen (volgens belanghebbende) over verstreken loontijdvakken zonder toestemming van de Inspecteur te verrekenen met nog op aangifte af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen. (...) 6.2.1. (...) Tijdens de uitgebreide vergadering van de Vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat van 18 mei 1987, heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij motie de regering verzocht op korte termijn maatregelen te treffen op het vlak van verlaging van de bemanningskosten teneinde de concurrentiepositie van de Nederlandse zeescheepvaart te versterken. (...) (blz. 5) (...) De Wet faciliteit voor de zeevaart is per 1 januari 1990 in werking getreden en is qua strekking en inhoud een voortzetting van de eerdere regeling van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. (...) (blz. 6) (...) 6.3. (...) De loodsgeldtarieven zijn mede bepaald door het normbedrag voor de vergoeding aan de loodsen en de kosten van het Loodswezen, waaronder de salariskosten van het personeel van de ondersteunende dienst. In art. 10, van het Financieel besluit loodsen (...) zijn de normkosten van de ondersteunende organisatie opgenomen. Deze is bepaald op ƒ 97,4 millioen, waarvan naar schatting ƒ 52 millioen voor het personeel. Het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft mij dergevraagd medegedeeld, dat bij de vaststelling van de normkostenbedragen op geen enkele wijze rekening is gehouden met eventuele loonkostensubsidies, waaronder de faciliteit voor de zeevaart. (...) (blz. 7) (...) 6.5. (...) De commerciële activiteiten van het loodswezen, in casu X B.V. zijn niet gericht op het winstgevend maken van het gebruik van de schepen. De commerciële activiteiten van het Loodswezen bestaan uit het uitoefenen van een openbare dienst: het doen loodsen van zeeschepen, hoofdzakelijk in situaties waarin de wet dat voorschrijft. Ik merk hierbij op dat de inhoudingsplichtige X B.V., afgezien van 6 % over het gestort kapitaal, in het geheel niet gericht is op het behalen van winst. Het resultaat wordt immers geheel aan de loodsen (ondernemers) toegerekend. De schepen waarover het loodswezen beschikt worden uitsluitend intern gebruikt als vervoermiddel voor de loodsen en vormen als zodanig een noodzakelijke kostenpost. (...) (blz. 8) 6.6. (...) De loodsen nemen (...) een (wettelijke) monopoliepositie in ten aanzien van het doen loodsen van zeeschepen en ontvangen voor hun dienst middels de wettelijk vastgestelde tarieven een inkomen waarop de Overheidsinvloed groot is te noemen. (...) In de voorbereidende fase van het tot stand komen van de Wet faciliteit voor de zeevaart was het loodswezen onderdeel van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. (...) Ook hieruit valt naar mijn mening af te leiden, dat de faciliteit voor de zeevaart in de jaren 1990 tot en met 1994 niet bedoeld was voor loodsboten." D. . De conclusie van repliek hield in: "(blz. 2) (...) 2 (...) De overheidstaak in het onderhavige geval is het loodsen van schepen, hetgeen geschiedt door een registerloods en niet door belanghebbende. Belanghebbende houdt zich ondermeer bezig met het beloodsen van schepen, d.i. het daadwerkelijk aan boord brengen of van boord halen van een loods. Het zal duidelijk zijn dat het beloodsen door iedere willekeurige derde kan plaatsvinden en derhalve in concurrentie met derden plaatsvindt. 3 (...) (blz. 3) (...) De opmerking van de inspecteur, dat bij de vaststelling van het normbedrag voor de ondersteunende organisatie (in casu FL B.V.) op geen enkele wijze rekening is gehouden met eventuele loonkostensubsidies, waaronder de faciliteit voor de zeevaart, is niet relevant, omdat ten tijde van de onderhandelingen over privatisering de reg - Dit wordt nog versterkt door de nauwe gelieerdheid van belanghebbende met de registerloodsen (die zowel aandeelhouders van belanghebbende als niet-beherende, winstgerechtigde vennoten van de maatschappen zijn) waardoor het vervoer met de loodsvaartuigen en tenders zich in economische zin niet wezenlijk onderscheidt van eigen vervoer van registerloodsen. Daaraan doet niet af dat het vervoer van de registerloodsen in bepaalde gebieden en in specifieke situaties wordt verzorgd door derden, met wie belanghebbende daartoe overeenkomsten heeft gesloten. - Niet aannemelijk is dat belanghebbende in concreto enige wezenlijke concurrentie uit het buitenland heeft te duchten bij het verrichten van vervoersactiviteiten met de loodsvaartuigen en tenders. (...) - Belanghebbende heeft bij uitstek geen mondiaal operatiegebied. (...)" VII. . Het middel. Naar het middel inhoudt (ik vermeld vindplaatsen in de aanvulling van het beroepschrift in cassatie): "(blz. 1) (...) heeft het Hof het recht geschonden, en in het bijzonder artikel 17, lid 4 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (...), doordat het in de onderdelen 6.5 en 6.6 van de uitspraak is uitgegaan van een te beperkte uitleg van het begrip zeescheepvaartbedrijf. (...) Uit de parlementaire behandeling van artikel 17, lid 4 Wet LB blijkt inderdaad dat de hierin opgenomen faciliteit bedoeld is om de positie van Nederlandse rederijen ten opzichte van buitenlandse concurrenten te versterken. Deze achterliggende gedachte is echter niet tot uitdrukking gebracht in enige wettelijke voorwaarde voor toepassing van de faciliteit. De wet verlangt alleen, voor zover hier van belang, dat de inhoudingsplichtige hier te lande een zeescheepvaartbedrijf onder Nederlandse vlag uitoefent. Het is naar mijn oordeel niet de bedoeling dat er, al dan niet binnen het kader van die globale voorwaarde, per individueel geval getoetst wordt of een bedrijf dat zich op de zeescheepvaart toelegt ook daadwerkelijk in concurrentie treedt met buitenlandse bedrijven. Dit (blz. 2) blijkt ook uit de nieuwe wettelijke regeling (...). Ook deze (...) regeling is gericht op inhoudingsplichtigen die het zeescheepvaartbedrijf uitoefenen (...) In artikel 1 (...) wordt een uitzondering gemaakt voor (...) de uitoefening van de loodsdienst (...) omdat loodsboten in een monopoliepositie zouden verkeren (...) Dit wijst erop dat deze schepen op zichzelf wel gebruikt worden voor een zeescheepvaartbedrijf, ook al is er geen sprake van concurrentie. Anders zou een uitdrukkelijke uitzonderingsbepaling in de wet immers niet nodig zijn geweest. (...) het Hof [gaat] uit van een te beperkte uitleg van het begrip zeescheepvaartbedrijf, aangezien daaronder niet alleen de koopvaardij en soortgelijke commerciële activiteiten vallen. Ook hier zou ik willen (...) attenderen op de parlementaire behandeling van artikel 17, lid 4 Wet LB (tekst 1992-1993). Daarin wordt weliswaar de koopvaardij genoemd, maar dat is slechts gebeurd bij wijze van aansprekend voorbeeld. Uit de memorie van toelichting blijkt namelijk dat de faciliteit ook kan worden toegepast door een baggerbedrijf, dat niet tot de koopvaardij of een vergelijkbare commerciële branche behoort (...) Het Hof is verder van oordeel dat kwalificatie van belanghebbende als zeescheepvaartbedrijf (mede) wordt verhinderd door haar nauwe gelieerdheid met de registerloodsen (overweging 6.6., tweede gedachtenstreepje). Ook daarmee geeft het Hof naar mijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De gelieerdheid tussen zelfstandige rechtssubjecten vormt binnen het stelsel van de (blz. 3) loonbelasting geen aanleiding die subjecten als een eenheid te beschouwen. (...) Naar mijn oordeel behoort het begrip zeescheepvaartbedrijf ruim te worden uitgelegd, en moet daaronder ieder bedrijf worden verstaan dat, al dan niet naast andere activiteiten, in betekenende mate de zeescheepvaart uitoefent. (...)" VIII. . Het verweer in cassatie. De Staatssecretaris betoogt (vertoogschrift in cassatie): "(blz. 1