Rechtspraak Hoge Raad 1997-05-07
ECLI:NL:HR:1997:AA2067
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (België) en het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 26 april 1996 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1987 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting. 1. Aanslag en bezwaar Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 408.902,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 2. Loop van het geding tot dusverre Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De uitspraak van dit Hof van 15 april 1994 is op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën bij arrest van de Hoge Raad van 26 april 1995, rolnummer 30.293, BNB 1995/192, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 404.027,--. Het Hof heeft voorts de Staat der Nederlanden veroordeeld aan belanghebbende ƒ 6.390,-- aan proceskosten te vergoeden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 3. Het tweede geding in cassatie Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Belanghebbende en de Staatssecretaris van Financiën hebben over en weer bij vertoogschrift het cassatieberoep van de wederpartij bestreden. 4. Beoordeling van de middelen van belanghebbende 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In 1987 was aan belanghebbende in de zin van artikel 42, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) een personenauto ter beschikking gesteld. 4.2. De middelen klagen over de verwerping door het Hof van het beroep dat belanghebbende heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur in verband met het beleid dat de Staatssecretaris van Financiën voert met betrekking tot de fiscale behandeling van de aan ministers en staatssecretarissen ter beschikking gestelde auto met chauffeur. Dienaangaande geldt het volgende. 4.3. De brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 december 1990 (Kamerstukken II 1990/91, 21972, nr. 1, blz. 6) vermeldt voor zover hier van belang: "In de richtlijnen voor bewindslieden met betrekking tot de aan hen ter beschikking gestelde dienstauto als uitgangspunt genomen dat het algemeen belang dat de functie van minister of staatssecretaris kenmerkt, ermee is gediend dat een bewindspersoon, mede ter wille van een goede bereikbaarheid en verhoging van de veiligheid, zich in een dienstauto verplaatst. Met dit uitgangspunt, zo is ook thans in de richtlijnen vastgelegd, is het gebruik van de auto voor vakantiereizen niet verenigbaar. Uitgaande van deze omstandigheden kan het vaste beleid worden voortgezet dat toepassing van het autokostenforfait ten aanzien van bewindslieden achterwege kan blijven". In het vertoogschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën is opgemerkt: "De zin in de notitie (pag. 6 bovenaan): ""In de richtlijnen voor bewindslieden is met betrekking tot de aan hen ter beschikking gestelde dienstauto als uitgangspunt genomen dat het algemeen belang dat de functie van minister of staatssecretaris kenmerkt, ermee is gediend dat een bewindspersoon, mede ter wille van een goede bereikbaarheid en verhoging van de veiligheid, zich in de dienstauto verplaatst"" aldus worden opgevat dat de ministers en staatssecretarissen de verplichting hebben zich zo veel als mogelijk steeds in de dienstauto verplaatsen. In de dagelijkse praktijk is het functioneren als bewindspersoon (het algemeen belang) zodanig met de