Rechtspraak Hoge Raad 1996-07-08
ECLI:NL:HR:1996:AA2010
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 maart 1995 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting. 1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1987 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 8.970,--, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.906,--. Ingevolge een beschikking van de Inspecteur inzake verrekening van investeringsbijdragen over het jaar 1988 is deze aanslag verminderd met een bedrag van ƒ 8.970,--. Vervolgens is aan belanghebbende over het jaar 1987 een navorderingsaanslag opgelegd ten bedrage van ƒ 107,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100 percent, van welke verhoging bij besluit van de Inspecteur geen kwijtschelding is verleend. Belanghebbende is tegen die navorderingsaanslag en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd voor zover deze betrekking heeft op de enkelvoudige belasting, het besluit heeft vernietigd, en algehele kwijtschelding van de verhoging heeft verleend. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij vijf middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft aan de Inspecteur een stuk overgelegd, met als dagtekening 26 februari 1988, inhoudende dat R, de in firmaverband gedreven onderneming van belanghebbende, alstoen een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten met een aannemingsbedrijf ter zake van de bouw van een bedrijfsgebouw te T voor een aannemingssom van ƒ 2.500.000,-- exclusief BTW. Dit stuk vermeldt voorts: "Tijdstip aanvang werkzaamheden: na goedkeuring bouwvergunning" "Oplevering op z.s.m." en "Betalingstermijnen: nader overeen te komen." De Inspecteur heeft op grond van deze gegevens de aanspraak van belanghebbende op investeringsbijdragen ter zake van voormelde investering in 1988 aanvaard. Als gevolg van een verrekening van een deel van deze investeringsbijdragen met de verschuldigde belasting over het jaar 1987, is de aanslag inkomstenbelasting over dat laatstgenoemde jaar verlaagd. Uit een in 1991 ingesteld derdenonderzoek is gebleken dat de bij voormelde aannemingsovereenkomst betrokken partijen op 26 februari 1988 tevens een aanvullende overeenkomst hadden opgemaakt, welke aanvullende overeenkomst belanghebbende bij zijn verzoek tot het toekennen van investeringsbijdragen niet had overgelegd. Deze aanvullende overeenkomst luidt, voor zover te dezen van belang,: "De opdrachtgever behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor, deze opdracht, voor de aanvang van het werk, te wijzigen of in te trekken, wanneer hij daarvoor reden meent te hebben, zonder dat hem hiervoor door de aannemer kosten in rekening worden gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen, en zonder dat door de aannemer op enigerlei wijze beslag op het werk zal worden gelegd." Naar aanleiding van deze, in de aanvullende overeenkomst vermelde, gegevens heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende ten onrechte de hiervóór bedoelde investeringsbijdragen heeft genoten. Deswege heeft hij de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. 3.2. De Inspecteur heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat bij het sluiten van de overeenkomst op 26 februari 1988 geen wilsovereenstemming bestond tussen de betrokken partijen, gezien de ruime ontbindingsgrond van de aanvullende overeenkomst. Belanghebbende heeft daarentegen betoogd dat hij op 26 februari 1988 definitieve verplichtingen is aangegaan. 3.3. Het Hof heeft het geschil ten gunste van de Inspecteur beslist. Het heeft daartoe overwogen dat hetgeen belanghebbende en de aannemer hebben vastgelegd in het stuk van 26 februari 1988, bezien in samenhang met het aanvulle