Rechtspraak Hoge Raad 1996-08-30
ECLI:NL:HR:1996:AA1996
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 februari 1995 betreffende de hem voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.439.419,--, waarvan een bedrag van ƒ 1.278.000,-- belast naar het tarief van artikel 57, lid 4, (tekst 1988) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Na de partiële scheiding en deling van de door het overlijden van zijn echtgenote ontbonden huwelijksgemeenschap en de daarin begrepen nalatenschap van deze echtgenote, bezat belanghebbende, sinds 18 januari 1988, de volle eigendom van 75 aandelen in A B.V. (hierna: de vennootschap), alsmede het levenslange vruchtgebruik van de overige 75 aandelen (hierna: de vruchtgebruikaandelen) in deze vennootschap. Belanghebbendes kinderen bezaten de blote eigendom van deze vruchtgebruikaandelen. Tevens had belanghebbende het stemrecht van alle (150) aandelen, hetgeen volgens artikel 8, lid 9, van de statuten van de vennootschap tot gevolg had dat belanghebbende met betrekking tot de vruchtgebruikaandelen dezelfde rechten had als door de wet zijn toegekend aan de houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen. Op 24 februari 1988 is een notariële akte verleden, waarin een verkoopovereenkomst en eigendomsoverdracht is vastgelegd tussen belanghebbende en zijn kinderen enerzijds en B B.V. anderzijds. Volgens deze akte hebben belanghebbende en zijn kinderen de vruchtgebruikaandelen verkocht tegen een koopsom van ƒ 1.850.000,-- en in volle en vrije eigendom overgedragen. In de akte is niet aangegeven welk deel van de koopsom aan belanghebbende respectievelijk aan elk van de kinderen toekwam. Evenmin blijkt uit de akte of door en na de daarin vastgelegde verkoopovereenkomst en eigendomsoverdracht het recht van vruchtgebruik van belanghebbende is geëindigd dan wel dat dit recht is blijven rusten op de vermogenswaarden waarin voormelde koopsom is belegd. 3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of belanghebbende door de in de akte van 24 februari 1988 neergelegde verkoopovereenkomst winst uit aanmerkelijk belang heeft genoten. 3.3. Het Hof heeft overwogen: dat belanghebbende op het tijdstip van de verkoopovereenkomst, verwoord in de notariële akte van 24 februari 1988, aandeelhouder was voor de helft van het nominaal gestorte aandelenkapitaal van de vennootschap; dat hij deze helft in volle eigendom bezat; dat belanghebbende daardoor op bedoeld tijdstip in de vennootschap een aanmerkelijk belang had als bedoeld in artikel 39, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet); dat belanghebbende direct voorafgaande aan de verkoopovereenkomst bovendien het levenslange recht van vruchtgebruik op de andere helft van het aandelenkapitaal van de vennootschap had, zijnde de vruchtgebruikaandelen; dat belanghebbende bij die overeenkomst ofwel dit recht aan B B.V. heeft verkocht, ofwel heeft ingestemd met verkoop door de bloot-eigenaren van de vruchtgebruikaandelen onder voorwaarde dat de verkoopprijs zou gaan behoren tot het met vruchtgebruik belaste vermogen; dat partijen van mening verschillen over de uitleg van bedoelde overeenkomst, doch in beide interpretaties het recht