Rechtspraak Hoge Raad 1996-06-12
ECLI:NL:HR:1996:AA1905
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 mei 1994 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 72.731,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 9 november 1995 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende was tot 19 juli van het onderhavige jaar (1990) hier te lande woonachtig en uit dien hoofde verzekerd ingevolge de volksverzekeringswetten. Hij was tot 17 juli 1990 in dienstbetrekking werkzaam bij A Ltd. te Q. Op 19 juli 1990 heeft hij Nederland metterwoon verlaten en zich te Z gevestigd. 3.1.2. De Inspecteur heeft op de voet van het bepaalde in artikel 10, leden 1, 4 en 6, van de Wet financiering volksverzekeringen (tekst 1990; hierna: de Wet) het in de onderhavige aanslag begrepen bedrag aan premie volksverzekeringen berekend op ƒ 9.309,--. Daarbij is hij is uitgegaan van een belastbare som voor de premieheffing van ƒ 42.123,-- en een premiepercentage van 22,1. 3.2. Belanghebbende heeft de hoogte van vorenvermeld bedrag aan premie volksverzekeringen bestreden - voor zover in cassatie van belang - op grond dat de wettelijke regeling, zoals die is vervat in de Wet, in gevallen als het onderhavige tot een met het recht strijdige ongelijke behandeling van gelijke gevallen leidt, welke ongelijke behandeling dient te worden opgeheven door in gevallen waarin slechts voor een gedeelte van het jaar premieplicht bestaat, de belastbare som voor de premieheffing uitgaande van het in artikel 10, lid 6, van de Wet bedoelde, als maximum in aanmerking te nemen bedrag tijdsevenredig te berekenen. 3.3. Het Hof heeft belanghebbendes stelling verworpen en daartoe geoordeeld: dat de Wet in artikel 10, lid 6, uitgaat van een premie-inkomen dat beperkt is tot een maximum bedrag; dat dit bedrag in het onderhavige jaar ƒ 42.123,-- bedraagt; dat het tijdsbestek waarbinnen dat maximum bedrag in het kalenderjaar wordt bereikt, voor de toepassing van de Wet niet van belang is; dat in een tijdsevenredige berekening van de premie, zoals belanghebbende die voorstaat, de Wet niet voorziet; dat belanghebbende volgens de, algemeen geldende, systematiek van de Wet wordt aangeslagen en derhalve niet ongelijk behandeld. Tegen laatstvermeld oordeel keert zich het middel. 3.4.1. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van wet dat heeft geleid tot de Wet, heeft bij de totstandkoming van de Wet voorop gestaan dat het belang van een eenvoudige en doorzichtige belasting- en premieheffing alom wordt erkend. Hiervan uitgaande heeft de wetgever zich aangesloten bij het voorstel van de zogenoemde commissie-Oort om te komen tot een geïntegreerde heffing van belastingen - dat wil zeggen van loon- of inkomstenbelasting - en premie volksverzekeringen. Dit voorstel hield - voor zover te dezen van belang - in: heffing van belasting en premie volksverzekeringen over dezelfde grondslag; heffing van premie volksverzekeringen in de zogenoemde eerste tariefschijf, gecombineerd met de heffing van de loon- of inkomstenbelasting; met als resultaat voor het merendeel van de heffingsplichtigen een proportioneel tarie De belanghebbende betoogt in beroep dat de premie beperkt moet worden naar tijdsevenredigheid, te weten tot (13/24 x ƒ 9.309,- =) ƒ 5.042,-. G. . Het Hof heeft het geschil ten nadele van de belanghebbende beslecht. H. . Het beroep in cassatie is in overeenstemming met de voorschriften ingesteld. Het steunt op een middel van cassatie. I. . De staatssecretaris van Financiën heeft het middel bestreden. II. . Premietijdvak. A. . Art. 37, lid 4, Algemene Ouderdomswet (AOW), tekst geldend voor 1989, luidt (ik nummer de volzinnen): "(1e volzin) Indien het inkomen meer bedraagt dan f 65.900 wordt over dat meerdere geen premie geheven. (2e volzin) Dit bedrag wordt naar tijdsruimte evenredig verlaagd ten aanzien van degene, die niet het gehele jaar aan de heffing van premie is onderworpen." B. . Bij de totstandkoming van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) werd betoogd (Memorie van toelichting, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1958-1959 - 5380, nr. 3; ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan): "(blz. 29, rechterkolom, 2e al.) Door het vervallen van het belastingtijdvak komt (...) te vervallen de verzwaring van de belasting welke in het Besluit 1941 een gevolg was van de bijzondere wijze van tariefstoepassing voor degene die slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar belastingplichtig was (...) De ondergetekende meent dat deze verfijning in het kader van de onderhavige herziening gevoeglijk kan vervallen. (blz. 32, linkerkolom, 3e al.) (...) Is het inkomen gedurende een tijdvak korter dan een kalenderjaar toegevloeid, omdat de belastingplicht slechts in een gedeelte van dat jaar heeft bestaan, dan is theoretisch verdedigbaar dat voor de bepaling van de verschuldigde belasting een herrekening van het tarief, dat immers op een kalenderjaar is gebaseerd, moet plaats vinden. Zoals (...) reeds werd opgemerkt, is een dergelijke verfijning, die wordt aangeduid als de heffing naar een belastingtijdvak (...) in het ontwerp niet opgenomen." C. . Bij de Wet van 30 juli 1965, Stb. 347, tot onderlinge aanpassing van sociale verzekeringswetten en belastingwetten, werd de afschaffing van het "belastingtijdvak" niet naar de AOW doorgetrokken. De problematiek werd zelfs niet uitdrukkelijk besproken. D. . Het maximum van de premie in 1990. 1. . Art. 10, lid 6, Wet financiering volksverzekeringen (Wet van 27 april 1989, Stb. 129), tekst geldend voor 1990, houdt in: "De belastbare som voor de premieheffing wordt tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het eerstvermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 53a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (...)" 2. . De verwijzing naar de Wet IB 1964 betreft de eerste schijf van het tarief. Het bedoelde bedrag beliep voor 1990 ƒ 42.123,-. 3. . Ter toelichting van de regeling werd betoogd (Memorie van toelichting, 1987-1988 - 20.625, nr. 3): "(blz. 1) 1. (3e al.) Kernpunt (...) is (...) een gecombineerde heffing van belastingen en premies volksverzekeringen over een lang inkomenstraject, gekoppeld aan een vereenvoudiging van de horizontale tariefstructuur. (blz. 10) (...) 5.1. (...) (blz. 11, 1e al.) (...) De belastbare som voor de premieheffing is het premie-inkomen verminderd met de van toepassing zijnde basisaftrek. (blz. 12) (...) Artikelsgewijze toelichting (...) (blz. 13, laatste al.) (...) de heffingsgrondslagen voor de inkomstenbelasting en voor de op aanslag verschuldigde premies volksverzekeringen worden geüniformeerd. (...) (blz. 15, 3e al .) In de nieuwe systematiek is het begrip premie-inkomensgrens niet meer bruikbaar, omdat de grens waarboven het inkomen niet meer voor de premieheffing in aanmerking wordt genomen afhankelijk is geworden van de tariefgroepindeling van de premieplichtige. Er is derhalve sprake van verschillende premie-inkomensgrenzen voor verschillende groepen premieplichtigen." 4. . Naar in de Memorie van antwoord, Eerste Kamer, 1988-1989, nr. 171a, blz. 6, 2e al., werd betoogd, "(...) dienen (...) nadere regels te wor