Rechtspraak Hoge Raad 1996-01-03
ECLI:NL:HR:1996:AA1879
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 1994 betreffende een uitspraak op een door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z gedaan verzoek als bedoeld in artikel 8b, lid 3, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990. 1. Uitspraak en geding voor het Hof Belanghebbende heeft op 10 augustus 1992 de Inspecteur verzocht de voorgenomen verwerving door D B.V. van de door B gehouden aandelen in belanghebbende tegen uitgifte van eigen aandelen te zamen met de voorgenomen inkoop door belanghebbende van de door C B.V. gehouden aandelen in belanghebbende aan te merken als voorgenomen rechtshandelingen die een situatie doen ontstaan als bedoeld in artikel 8b, lid 1, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (tekst 1992; hierna: de Uitvoeringsregeling) jo. artikel 40a, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1992; hierna: de Wet). De Inspecteur heeft dit verzoek bij uitspraak afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en het verzoek, zoals bij pleidooi gewijzigd, heeft toegewezen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende, waarvan het geplaatste en gestorte aandelenkapitaal f 46.000,-- nominaal beloopt, houdt de aandelen van een aantal werkmaatschappijen. De aandeelhouders van belanghebbende waren tot mei 1992: - A Ltd. te Q (VK) (hierna: A) voor f 23.000,-- nominaal; - C B.V. te S (hierna: C) voor f 5.000,-- nominaal; - B te R, Filippijnen, (hierna: B) voor f 18.000,- - nominaal. B is de enige aandeelhouder van C. 3.1.2. D B.V. i.o. te T (hierna: D) verwierf in de loop van mei 1992 alle aandelen die A in belanghebbende hield. De aandelen in D - welke vennootschap op 26 januari 1993 door B is opgericht - werden van de aanvang af gehouden door B. 3.1.3. Belanghebbende heeft bij pleitnota aan het Hof voorgelegd de vraag of de voorgenomen vervreemding van de door B gehouden aandelen in belanghebbende tegen eigen aandelen van D te zamen met de voorgenomen vervreemding van de door B gehouden aandelen in C tegen uitreiking van eigen aandelen van D kan worden aangemerkt als rechtshandelingen die een situatie doen ontstaan als bedoeld in artikel 8b, lid 1, van de Uitvoeringsregeling jo. artikel 40a, lid 1, van de Wet. 3.2.1. Uitgaande van de vaststelling dat belanghebbende in beroep stelt het voornemen te hebben de hiervóór in 3.1.3 omschreven rechtshandelingen te verrichten en pas als tweede of derde mogelijkheid over te willen gaan tot het uitvoeren van in 's Hofs uitspraak onder 3, letter b, omschreven rechtshandelingen, waaronder die, welke zijn vermeld in het verzoekschrift, heeft het Hof geoordeeld: dat belanghebbende geacht kan worden het verzoekschrift in deze zin te hebben aangevuld, zodat het Hof voor zover nodig ook de voorgenomen niet in het verzoekschrift vermelde rechtshandelingen in de beoordeling zal hebben te betrekken; dat het mede om redenen van proceseconomie afziet van het stellen van de eis dat ten aanzien van laatstbedoelde rechtshandelingen afzonderlijke aanvullende verzoekschriften worden ingediend, waarop dan door de Inspecteur uitspraak moet worden gedaan. Tegen deze oordelen komt het middel in de eerste plaats op. 3.2.2. Het middel betoogt dat het Hof geen beslissing had mogen nemen ter zake van het in de pleitnota gedane verzoek, nu de Inspecteur niet in de gelegenheid is geweest op de voet van het bepaalde in artikel 8b, lid 3, van de Uitvoeringsregeling met betrekking tot het in dat verzoek gepresenteerde complex van voorgenomen rechtshandelingen een beslissing te nemen. Dit