Rechtspraak Hoge Raad 1996-03-06
ECLI:NL:HR:1996:AA1846
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 7 oktober 1994 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de overschotheffing op grond van de Meststoffenwet voor het tijdvak 1 mei 1987 tot en met 31 december 1987. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het tijdvak 1 mei 1987 tot en met 31 december 1987 een naheffingsaanslag in voormelde overschotheffing opgelegd ten bedrage van ƒ 2.855,51 zonder toepassing van een verhoging. Deze naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van het Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Inspecteur) gehandhaafd. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Minister heeft de zaak doen toelichten door mr. R.L.H. IJzerman, advocaat bij de Hoge Raad. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit arrest is op 6 maart 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann, C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.