Rechtspraak Hoge Raad 1996-05-29
ECLI:NL:HR:1996:AA1844
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 september 1994 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting. 1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1987 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 196.602,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 202.377,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100 percent, van welke verhoging bij besluit van de Inspecteur tot op 25 percent kwijtschelding is verleend. Belanghebbende is tegen die aanslag en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze aanslag en dit besluit heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof, gezien de te dezen toepasselijke jurisprudentie van de Hoge Raad, ten onrechte is uitgegaan van de bevoegdheid van de Inspecteur, die op 6 december 1991 als Hoofd van de eenheid Ondernemingen te B de onderhavige naheffingsaanslag heeft opgelegd, terwijl de (primitieve) aanslag was vastgesteld door de inspecteur der directe belastingen te A. 3.2.1. In zijn arrest van 6 april 1994, BNB 1994/181, heeft de Hoge Raad weliswaar geoordeeld dat een navorderingsaanslag slechts kan worden vastgesteld door de inspecteur die de aanslag heeft vastgesteld, dan wel het besluit geen aanslag op te leggen heeft genomen, maar daarop geldt een uitzondering voor het geval waarin de op het aanslagbiljet van een navorderingsaanslag vermelde inspecteur een andere is dan degene die de aanslag heeft vastgesteld en de bevoegdheden van laatstgemelde inspecteur zijn overgegaan op de eerstvermelde. 3.2.2. Blijkens het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 7 april 1989, nr. 89/1147, Stcrt. 68, is met ingang van 1 april 1989 voor de vestigingsplaats B in werking getreden artikel 4 van de Organisatieregeling Belastingdienst, Besluit van de Staatssecretaris van 20 januari 1989, OB 89/234, Stcrt. 21, zoals gewijzigd bij Besluit van 7 april 1989, 89/1146, Stcrt. 68, (hierna: de Organisatieregeling). In artikel 4 van de Organisatieregeling, zoals deze bepaling luidde na de Besluiten van de Staatssecretaris van 2 juni 1989, OB 89/1887, Stcrt. 106, en van 1 augustus 1990, PCF90/211, Stcrt. 147, is het volgende bepaald: "1. Er zijn eenheden Ondernemingen. De vestigingsplaats en het ambtsgebied worden vastgesteld volgens Bijlage VI. 2. (...) 3. De in het eerste lid vermelde eenheden staan onder leiding van hoofden onder gezag van het hoofd van de Directie Ondernemingen binnen wiens ambtsgebied de eenheid is gevestigd. (...)". Ingevolge Bijlage VI bij de Organisatieregeling omvat het ambtsgebied van het hoofd van de eenheid Ondernemingen van de vestigingsplaats B onder meer de gemeente Z. 3.2.3. Blijkens het Besluit van de Staatssecretaris van 27 december 1989, OB 89/3416, Stcrt. 253, gelden met ingang van 1 januari 1990 voor de vestigingsplaats B de artikelen 13 (lid 1), 14 en 15 van de Organisatieregeling, zoals gewijzigd bij het Besluit van 27 december 1989, OB 89/4113, Stcrt. 253. Artikel 13, lid 1, van de Organisatieregeling luidde na de inwerkingtreding van het Besluit van 20 december 1990, PFC90/2611, Stcrt. 248, met ingang van 1 januari 1991 als volgt: "De hoofden van eenheden Grote ondernemingen, eenheden Ondernemingen, eenheden Particulieren en eenheden Particulieren/Ondernemingen zijn inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en als zodanig bevoegd inzake de heffing en invordering van andere rijksbelastingen dan zij