Rechtspraak Hoge Raad 1996-04-10
ECLI:NL:HR:1996:AA1808
gewezen op het beroep in cassatie van de Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 december 1993 betreffende na te melden beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting. 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, tot een bedrag van ƒ 32.851,--, vervat in haar aangifte over het tijdvak 1 december 1990 tot en met 31 december 1990, is door de Inspecteur bij beschikking van 14 februari 1991 ingewilligd. Belanghebbende heeft op 29 juni 1992 tegen die beschikking bezwaar gemaakt bij de Inspecteur, waarna de Inspecteur bij uitspraak belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 19 juli 1995 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende exploiteert een bibliotheek. Bij overschrijding van de uitleentermijn worden administratiekosten (boetegelden) berekend. Tot en met de maand november 1991 heeft belanghebbende over die kosten omzetbelasting voldaan, wat betreft het onderhavige tijdvak ten bedrage van ƒ 886,--. Bij arrest van 4 december 1991, BNB 1992/37, heeft de Hoge Raad beslist dat dergelijke kosten niet zijn onderworpen aan de heffing van omzetbelasting. Na het bekend worden van dit arrest heeft belanghebbende alsnog een bezwaarschrift ingediend tegen de heffing van voormeld bedrag, doch zij is door de Inspecteur wegens overschrijding van de voor het indienen van een bezwaarschrift gestelde termijn van twee maanden niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. 3.2. Tegen deze beslissing richt zich middel II met het betoog dat een rechtstreeks werkende bepaling van gemeenschapsrecht is geschonden, te weten artikel 2, aanhef en onder 1, van de Zesde Richtlijn, en dat derhalve, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1991, C-209/90 (Emmott), Jur. 1991, blz. I-4269, belanghebbende ontvankelijk moet worden geacht in haar bezwaar. Het middel faalt, aangezien de Richtlijn met betrekking tot de vergoedingen als de onderhavige naar behoren is omgezet in nationaal recht, en een situatie als bedoeld in laatstgenoemd arrest zich derhalve in het onderhavige geval niet voordoet. 3.3. Middel I verwijt het Hof niet te zijn ingegaan op de stelling dat de overheid ongerechtvaardigd is verrijkt door de weigering ambtshalve teruggaaf van de in geding zijnde omzetbelasting te verlenen. Het middel kan evenmin tot cassatie leiden, aangezien tegen een dergelijke weigering geen beroep openstaat. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 10 april 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.Nr. 30.068 Mr Van den Berge Derde Kamer A Conclusie inzake: Omzetbelasting december 1990 Stichting X Parket, 19 juli 1995 tegen: de staatssecretaris van Financiën Edelhoogachtbaar College, 1.Feiten en procesverloop 1.1.Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage, tweede meervoudige belastingkamer (het Hof), gedaan op 2 december 1993 onder 8, sub a) werd opgemerkt: "Onder "tegenwaarde" dient te worden verstaan al hetgeen als tegenprestatie wordt ontvangen voor de (...) dienst, met inbegrip van de bijkomende kosten (verpakking, vervoer, verzekering, enz.) (...)." 2.2.HvJ EG 5 februari 198)". 1, zaak 154/80 (Coöperatieve aardappelenbewaarplaats), Jur. 1981, blz. 445, BNB 1981/232, m.nt. C.P. Tuk, leidde uit die bepalingen en die toelichting af (r.o. 12): "(...) In de zin van de Tweede richtlijn is een dienst dus belastbaar wanneer zij onder bezwarende titel wordt verricht, terwijl dan de belastinggrondslag bestaat in al hetgeen als tegenwaarde voor die dienst wordt ontvangen. Er moet dus een rechtstreeks verband bestaan tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde. (...)". 2.3.Art. 2, aanhef en lid 1, Zesde richtlijn bepaalt: "Aan de belasting (...) zijn onderworpen: 1. de (...) diensten, welke (...) door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht". Volgens art. 11 A, lid 1, onder a, Zesde richtlijn is de maatstaf van heffing: "(...) alles wat de (...) dienstverrichter voor [zijn diensten] als tegenprestatie verkrijgt (...)" 2.4.HvJ EG 8 maart 1988, zaak 102/86 (Apple and Pear Develop-ment Council), Jur. 1988, blz. 1468, overwoog onder verwijzing naar de Tweede richtlijn en het in het vorige punt aangehaalde arrest (r.o. 12): "Het begrip "diensten welke onder bezwarende titel worden verricht" in de zin van artikel 2, aanhef en sub 1, van de Zesde richtlijn, onderstelt derhalve dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde." Vergelijk ook HvJ EG 23 november 1988, zaak 230/87 (Naturally Yours Cosmetics Ltd.), Jur. 1988, 6385, en HvJ EG 3 maart 1994, zaak C-16/93 (Tolsma), Jur 1994, I-743. 2.5.Art. 4, lid 1, Wet OB 1968 bepaalt: "Diensten zijn alle prestaties, niet zijnde leveringen van goederen, welke tegen vergoeding worden verricht." Art. 8 Wet OB 1968 luidt, voor zover thans van belang: "1. De belasting wordt berekend over de vergoeding. 2. De vergoeding is het totale bedrag dat - of voor zover de tegenprestatie niet in een geldsom bestaat, de totale waarde van de tegenprestatie welke - ter zake van de (...) dienst in rekening wordt gebracht (...)." 2.6.Laatstbedoelde bepaling moet overeenkomstig art. 11 A, lid 1, onder a, Zesde richtlijn uitgelegd worden; zie HR 28 maart 1990, met conclusie van A-G Van Soest, BNB 1990/180, r.o. 4.4. 2.7. In het onder punt 1.3 genoemde arrest HR 4 december 1991, BNB 1992/37, werd voorts nog overwogen (r.o. 3.2.): "Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende de administratiekosten van de leners heeft ontvangen als tegenprestatie voor het lenen van boeken, ook al zijn die kosten aan de leners op grond van het uitleenreglement pas ter zake van het overschrijden van de normale - dan wel tijdig verlengde - uitleentermijn in rekening gebracht. Het Hof heeft zulks gegrond op zijn oordeel dat tussen het uitlenen van de boeken en het in rekening brengen van administratiekosten geen verwijderd verband bestaat. Door aldus te oordelen heeft het Hof een onjuiste maatstaf aangelegd, daar overeenkomstig hetgeen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 1988, 102/86, Jur. 1988, blz. 1464 e.v., evenals in het arrest van dat Hof van 5 februari 1981, 154/80, BNB 1981/232, is beslist, het Hof had dienen te beoordelen of er een rechtstreeks verband bestaat tussen het uitlenen van de boeken en het in rekening brengen van die administratiekosten. (...)". 2.8.HR 18 december 1991, met conclusie van A-G Van Soest, BNB 1992/183, m.nt. A.L.C. Simons, betrof aanmaningskosten wegens niet tijdige betaling door leden van een boekenclub: "(...) Deze aanmaningskosten worden immers het betrokken lid niet ter zake van de levering van een boek of grammofoonplaat in rekening gebracht, een en ander in de zin van artikel 8, lid 2, [Wet OB 1968], doch ter vergoeding van de extra-kosten die belanghebbende als schuldeiser moet mak