Rechtspraak Hoge Raad 1996-11-20
ECLI:NL:HR:1996:AA1785
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 25 januari 1995 betreffende na te melden aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 31 december 1989 een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 18.739,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 3.123,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit dat van de verhoging nog een bedrag van ƒ 782,-- wordt kwijtgescholden. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak en voormeld besluit bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is schipper. Hij dreef in het naheffingtijdvak een zand- en grinttransportonderneming met een motorschip. De vrachtvaart vond plaats op de Europese binnenwateren, hoofdzakelijk in Nederland en Duitsland. Naast belanghebbende was op bepaalde trajecten van tijd tot tijd een meevarende persoon op het schip aanwezig. Aan deze persoon of personen heeft belanghebbende in verband met het meevaren betalingen gedaan. 3.2. In het beroepschrift voor het Hof heeft belanghebbende onder 'Feiten'- voor zover hier van belang- vermeld: 1. (...) 2. Het schip is van zodanige omvang dat het door één persoon kan worden bemand. (...) Aan de hand van diverse getuigenverklaringen kan worden aangetoond dat belanghebbende ook in de praktijk grotendeels alleen vaart. 3. Op grond van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn, van toepassing op de internationale Rijnvaart (o.a. Nederland en Duitsland), werden in de betreffende jaren eisen gesteld aan het aantal bemanningsleden en de kwalificatie daarvan. Voor dit schip bestond de minimale bemanning uit een schipper en een matroos. In de praktijk werd in de jaren waarop de naheffing betrekking heeft door de politie in Nederland en Duitsland slechts getoetst aan het aantal aanwezigen. 4. Hoewel op de overige Nederlandse vaarwegen geen wettelijke verplichting bestaat tot het varen met meer dan één persoon aan boord, leert de praktijk dat die eis toch regelmatig wordt gesteld. In Nederland wordt die getalsverplichting o.a. opgelegd door sommige beheerders van sluizen. 5. Uit economische motieven vaart belanghebbende zoveel mogelijk alleen. Zoals uit de sub 3 en 4 genoemde feiten blijkt, is het echter dikwijls onvermijdelijk een tweede persoon aan boord te hebben. Waar mogelijk vervulde de echtgenote van belanghebbende de rol van bemanningslid. Echter zeer frequent was dat onmogelijk/inefficiënt. Op de Nederlandse binnenvaartwegen kan veelal worden volstaan met het aan boord hebben van een tweede persoon tijdens het schutten in een sluis of een doorvaart in een ander gecontroleerd waterwerk. Aangezien bij sluizen dikwijls lieden staan te kijken, was en is het niet moeilijk iemand te vinden die tegen geringe vergoeding gedurende een korte periode meevaart. Voor de internationale vaart is het dikwijls noodzakelijk gedurende meer uren een tweede man aan boord te hebben. Ook in die gevallen was en is het betrekkelijk eenvoudig (o.a. in de aan het water gelegen cafés bij de grensovergang) Nederlandse of Duitse personen te vinden om gedurende enige tijd mee te varen en vervolgens op eigen gelegenheid de terugreis te aanvaarden. 6. Aan de meevarende personen, waaraan belanghebbende geen kwaliteitseisen stelt, worden en werden door belanghebbende geen werkzaamheden opgedragen. Ze hoeven niet te poetsen, als wachtman te fung