ECLI:NL:HR:1996:AA1782
gewezen op het beroep in cassatie van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Castricum tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 november 1994 betreffende na te melden aan de X te Z voor het jaar 1991 opgelegde aanslagen in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente Castricum.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1991 wegens het genot krachtens zakelijk recht en het feitelijk gebruik van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als a-straat 1 en 2, b-straat 1, welke drie objecten tezamen de A vormden, en c-straat 1, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente Castricum opgelegd naar een heffingsgrondslag van respectievelijk ƒ 1.029.000,--, ƒ 227.000,--, ƒ 839.000,-- en ƒ 1.840.000,--. Na daartegen gemaakt bezwaar, zijn de aanslagen, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders, ter zake van het object c-straat 1 gehandhaafd en zijn de overige aanslagen verminderd tot aanslagen naar heffingsgrondslagen van respectievelijk ƒ 852.000,--, ƒ 186.000,-- en ƒ 717.000,--. Belanghebbende is van de uitspraak van Burgemeester en Wethouders in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak alsmede de aanslagen ter zake van de objecten a-straat 1 en 2 en b-straat 1 vernietigd en heeft de aanslagen terzake van het object c-straat 1 verminderd tot aanslagen naar een heffingsgrondslag van ƒ 615.000,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie Burgemeester en Wethouders hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. De verordening. In de gemeente gold in het onderhavige jaar de Verordening onroerendgoedbelastingen 1990 (hierna: de Verordening), waarvan de bepalingen - voor zover hier van belang - luiden:
"Artikel 2 - BELASTINGOBJEKT 1. Onder een onroerend goed dan wel het onroerende goed wordt verstaan: a. een gebouwd eigendom met zijn gebouwde aanhorigheden - daaronder begrepen de ondergrond van dat eigendom en van die aanhorigheden - en met zijn ongebouwde aanhorigheden; b. een ongebouwd eigendom, niet zijnde de ondergrond of een aanhorigheid van een gebouwd eigendom, met zijn gebouwde aanhorigheden - daaronder begrepen de ondergrond van die aanhorigheden - en met zijn ongebouwde aanhorigheden; c. indien gedeelten van de in onderdeel a of b bedoelde eigendommen - andere dan de gedeelten van een onroerend goed als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b - blijkens hun indeling zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt: elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, die als zodanig gebruikte gedeelten als één onroerend goed worden aangemerkt; d. indien twee of meer van de in onderdeel a, b of c bedoelde eigendommen of gedeelten van zodanige eigendommen bij een zelfde belastingplichtige in gebruik zijn en naar maatschappelijke opvatting bij elkaar behoren: een zodanig samenstel; (...). Artikel 4 1. De waarde in het economische verkeer is die op 1 januari 1990 en vervolgens die op een tijdstip dat telkens 5 jaren later valt. Deze waarde vindt toepassing voor elk belastingjaar vallende in een tijdvak van 5 achtereenvolgende jaren, welk tijdvak aanvangt op het tijdstip als bedoeld in de eerste volzin. 2. Indien de waarde in het economische verkeer gedurende de eerste vier jaren van het tijdvak als in het eerste lid bedoeld wijziging ondergaat als gevolg van hetzij bouw, verbetering, verbouwing of afbraak, hetzij verandering van bestemming, is, in afwijking van het eerste lid, de waarde die welke in aanmerking zou zijn genomen, indien die bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of bestemmingsverandering zijn beslag had gekregen bij de aanvang van dat tijdvak."
5. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met het geding in cassatie voor de onderhavige zaak redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
Dit arrest is op 20 november 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma en op die datum in het openbaar uitgesproken.