Rechtspraak Hoge Raad 1996-11-27
ECLI:NL:HR:1996:AA1773
gewezen op het beroep in cassatie van de vennootschap onder firma X te Z tegen de uitspraak van het Ge- rechtshof te 's-Gravenhage van 28 juni 1995 betref- fende na te melden haar opgelegde naheffingsaanslag. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 1991 tot en met 31 december 1993 een naheffingsaan- slag opgelegd in de heffing op, dan wel de verbruiks- belasting van vloeibare brandstoffen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, dan wel de Wet milieubeheer ten bedrage van ƒ 345.276,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt be- zwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehand- haafd. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft deze uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak be- roep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende exploiteert een inrichting voor de vervaardiging van chemische produkten. Zij gebruikt een installatie die aardgas omzet in metha- nol waarbij als restprodukt foezelolie ontstaat. Foezelolie bestaat uit ongeveer 60-65% methanol, 5% ethanol, 5% propanol, 3% butanol, 0,5% alkanen en 25- 30% water en leent zich niet voor verkoop omdat daar- voor geen economisch interessante aanwendingsmoge- lijkheden bestaan. Belanghebbende benut de foezelolie voor energie-opwekking. Daarbij komen verontreinigen- de stoffen in de buitenlucht terecht. Belanghebbende heeft aangifte gedaan van de hoeveelheid foezelolie die zij in het onderhavige tijdvak (1 april 1991 tot en met 31 december 1993) heeft verbrand. Zij heeft daarbij opgemerkt dat zij geen heffing verschuldigd is over de verbrande foezelolie. De Inspecteur heeft belanghebbendes standpunt niet gevolgd en heeft uit- gaande van de door belanghebbende verstrekte gege- vens, de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. 3.2. De Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (hierna: Wabm), sedert 1 maart 1993 de Wet milieube- heer, is met ingang van 1 juli 1992 in dier voege gewijzigd, dat de oorspronkelijke brandstofheffing heeft plaatsgemaakt voor een verbruiksbelasting van brandstoffen, geheven naar een milieugrondslag. Een en ander heeft tot gevolg gehad dat - zonder wijzi- ging van de inhoud - de nummering van de te dezen van belang zijnde artikelen in het onderhavige tijdvak diverse malen is gewijzigd. 3.3. In de Wabm en de Wet milieubeheer, ingevol- ge welke wetten de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd, wordt onder brandstoffen verstaan: een stof - met inbegrip van alle daaraan toegevoegde stoffen - dienende voor verbranding met het doel de daarbij ontstane energie te benutten, bij welke verbranding verontreinigende stoffen in de buitenlucht kunnen geraken. 3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de door be- langhebbende verbrande foezelolie voldoet aan alle voorwaarden zoals vervat in deze definitie zodat foezelolie voor de toepassing van de financiële bepa- lingen in de Wabm en de Wet milieubeheer als brand- stof dient te worden aangemerkt. 3.5. Middel I bestrijdt dit oordeel met een betoog dat erop neerkomt dat de wetgever bij het begrip brandstoffen niet in het algemeen het oog had en heeft op stoffen die, achteraf gezien, verbrand worden, maar op volwaardige brandstoffen die op grond van inherente kenmerken als zodanig worden aangemerkt en dat foezelolie die bij de produktie van methanol vrijkomt, niet daartoe kan worden gerekend. Dit be- toog kan echter niet als juist worden aanvaard. 3.6. De in 3.3 vermelde omschrijving van het begrip brandstoffen is woordelijk ontleend aan de Wet inzake de luchtverontreiniging van 26 november 1970, Stb. 580. 3.7. Met die wet werd beoogd een wettelijke grondslag te