Rechtspraak Hoge Raad 1995-11-01
ECLI:NL:HR:1995:AA3173
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 april 1994 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 5.147.842,--, waarvan ƒ 4.980.000,-- belast naar het tarief van artikel 57a, lid 1, aanhef en letter e, jo. lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1990, hierna: de Wet), terwijl aan hem bij beschikking ƒ 62.883,-- aan heffingsrente in rekening is gebracht. Belanghebbende is tegen die aanslag, met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst vóór 1994), rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 5.221.342,--, waarvan ƒ 5.165.000,-- is belast naar voormeld tarief, met handhaving van de overige elementen en een dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente, en heeft de Inspecteur veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte kosten van het geding tot een bedrag van ƒ 2.130,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door mr. J.J.M. Hertoghs, advocaat te Breda. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. Het Hof heeft - voor zover in cassatie van belang - het volgende vastgesteld: 3.1.1. Belanghebbende heeft bij overeenkomst van 17 juni 1989 alle geplaatste aandelen in A B.V. (hierna de B.V.) à ƒ 150.000,-- nominaal verkocht aan B B.V. (hierna: B). De overeengekomen prijs beliep ƒ 1,--, welke prijs op een later tijdstip zou worden vermeerderd met een - op een in de overeenkomst aangegeven wijze nader te bepalen - van de toekomstige winst afhankelijk bedrag van ten minste ƒ 2.000.000,-- en een vergoeding voor een aanwezig compensabel verlies. Belanghebbende verplichtte zich ervoor zorg te dragen - zo nodig door betaling aan de B.V. van het daartoe vereiste bedrag - dat het vermogen van de B.V. en haar dochtervennootschappen volgens de geconsolideerde balans per 16 juni 1989 ten minste ƒ 2.000.000,-- zou bedragen. 3.1.2. Op 2 mei van het onderhavige jaar (1990) heeft de Inspecteur een van de zijde van belanghebbende aan hem gerichte brief, gedagtekend 26 april 1990, voor accoord ondertekend en geretourneerd. De brief houdt in de vaststelling dat het bij belanghebbende ter zake van de overdracht van de aandelen in de B.V. als winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking te nemen verschil tussen de verkrijgingsprijs en de overdrachtsprijs van die aandelen per saldo ƒ 185.000,-- beliep. 3.1.3. Ingevolge een op 30 juli 1990 tussen belanghebbende en B gesloten overeenkomst heeft B op genoemde datum ter zake van de koop van de aandelen in de B.V. een bedrag van ƒ 5.500.000,-- betaald. 3.1.4. De Inspecteur heeft in verband met laatstgenoemde overeenkomst bij het opleggen van de onderhavige aanslag - gedagtekend 30 september 1992 - een bedrag van ƒ 4.980.000,-- als in 1990 genoten winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. 3.2. De Inspecteur heeft zich voor het Hof - voor zover te dezen van belang - op het standpunt gesteld dat de uit de overeenkomst van 30 juli 1990 voortvloeiende betaling aan belanghebbende moet worden aangemerkt als een nabetaling, die in 1990 als in dat jaar genoten winst uit aanmerkelijk belang in de heffing van de belasting over 1990 moet worden betrokken. Belanghebbende heeft dit standpunt bestreden en gesteld dat artikel 41 van de Wet slechts één heffingsmoment kent, zodat, a