Rechtspraak Hoge Raad 1995-11-29
ECLI:NL:HR:1995:AA3156
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 24 juni 1994 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 128.000,-- met een aftrek elders belast over een buitenlands inkomen van ƒ 39.007,--. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 14 maart 1995 geconcludeerd tot het stellen van één of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende was gedurende het onderhavige jaar (1991) werkzaam als deelvisser, en wel voor een deel van het jaar (214 dagen) op een onder Nederlandse vlag varende kotter en voor het andere deel van het jaar (151 dagen) op een onder Duitse vlag varende kotter. 3.1.2. Het ter zake van het aan boord van het Duitse schip verrichte werkzaamheden genoten inkomen bedroeg ƒ 39.007,--. Op dit inkomen zijn ingevolge de Duitse sociale zekerheidswetgeving in Duitsland premies ingehouden. 3.1.3. Belanghebbendes premie-inkomen in het onderhavige jaar beliep, berekend op de voet van het bepaalde in artikel 4, lid 1 jo. lid 3, van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990, 210/360 x ƒ 128.000,-- = ƒ 74.666,--. De Inspecteur heeft, uitgaande van een maximum premie-inkomen van ƒ 42.966,-- en een premie-percentage van 22,75%, in de onderhavige aanslag een bedrag van ƒ 9.774,-- aan premie volksverzekeringen begrepen. 3.2. Belanghebbende heeft de hoogte van laatstvermeld bedrag bestreden op de grond dat doel en strekking van de Verordening (EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1971, nr. 1408/71 (in de voor 1991 geldende tekst; hierna: de Verordening) meebrengt dat hij, nu hij in het onderhavige jaar slechts gedurende 214 dagen op een onder Nederlandse vlag varende kotter werkzaam is geweest, voor niet meer dan 214/365 van het zogenoemde maximum premie-inkomen in de premieheffing volksverzekeringen kan worden betrokken. Hij berekent de door hem verschuldigde premie volksverzekeringen aldus op ƒ 5.730,--. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes beroep op doel en strekking van de Verordening niet opgaat, nu niet valt in te zien, waarom daaruit zou voortvloeien dat belanghebbende in de gegeven omstandigheden minder premie volksverzekeringen verschuldigd zou behoren te zijn dan het geval was geweest, indien hij alleen zijn werk op de onder Nederlandse vlag varende kotter had verricht. Tegen deze oordelen richten zich de klachten. 3.4. Deze klachten kunnen evenwel niet tot cassatie leiden. Redelijkerwijs kan immers niet worden betwijfeld dat de regels van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder die van de Verordening, in een geval als het onderhavige, waarin niet sprake is van een gelijktijdige, doch van een opeenvolgende toepassing van de wetgevingen van twee Lid-Staten, niet eraan in de weg staan dat het ter zake van de aan boord van het Nederlandse schip verrichte werkzaamheden genoten inkomen - welk inkomen op grond van het bepaalde in artikel 13, lid 1 jo lid 2, aanhef en letter c, van de Verordening uitsluitend aan de Nederlandse wetgeving is onderworpen - verschuldigde premie volksverzekeringen wordt In weer andere landen, zoals België en Frankrijk, bestaat eenzelfde perioderegeling, maar met een bepaald maximum premiebedrag gedurende een bepaald tijdvak (in België naar gelang de omstandigheden een maand of een kwartaal, in Frankrijk een jaar). (...) Titel II van verordening nr. 3 en dezelfde Titel van verordening 1408/71 stellen de wetgeving vast die op een werknemer van toepassing is gedurende het gehele tijdvak - hoe lang ook - waarin de omstandigheden van zijn tewerkstelling aan een bepaalde omschrijving beantwoorden. (...) gedurende dat tijdvak [mag] geen andere Lid-Staat dan die wiens wetgeving aldus van toepassing is verklaard, premiebetaling verlangen. (...)" 2. . Het HvJ EG overwoog, "(blz. 822) (...) 13 dat een werknemer, die over een zelfde arbeidsloon wordt belast met sociale lasten ingevolge toepassing van meerdere nationale wetgevingen terwijl hij slechts voor één dier wetgevingen als verzekerde kan gelden, daardoor blootstaat aan een dubbele premieheffing die onverenigbaar is met de (...) verordeningen (...); 14 dat mitsdien, waar de sociale wetgeving van de Lid-Staat van woonplaats niet van toepassing is op de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van arbeid, het gedurende dat tijdvak verdiende loon geheel noch gedeeltelijk de grondslag kan vormen voor premieheffing overeenkomstig bedoelde wetgeving en daardoor vrij is van de uit de toepassing hiervan voortvloeiende sociale lasten; 15 dat derhalve (...) zowel artikel 12 van verordening n. 3 als artikel 13 van verordening 1408/71 verbiedt dat de staat van woonplaats krachtens zijn sociale wetgeving premie heft over het (blz. 823) loon dat een werknemer met zijn arbeid in een andere Lid-Staat heeft verdiend en waarop uit dien hoofde de sociale wetgeving van die andere staat is toegepast (...)" 3. . Uw Raad overwoog (1977, BNB, blz. 991, regels 26-30), "(...) dat artikel 4 van de Uitvoeringsbeschikking premieheffing volksverzekeringen 1968 (...) verbindende kracht mist met betrekking tot loon dat een in Nederland wonende werknemer heeft verdiend in een andere Lid-Staat en waarover volgens de daar geldende sociale wetgeving premies zijn betaald (...)" C. . Wijziging Uitv.besch. PH 1968. 1. . Bij Art. I, letter B, Beschikking van 11 november 1977, nr. 077/1839, Stcrt. 11 november 1977, nr. 221, werd art. 4, 1e volzin, Uitv.besch. PH 1968 geredigeerd: "Indien de premieplicht gedurende een gedeelte van het kalenderjaar bestaat en de belastingplicht voor de inkomstenbelasting over dat jaar (...) langer duurt, wordt voor de premieheffing (...) het premie-inkomen van dat gedeelte bepaald door herleiding naar tijdsruimte van het bedrag aan premie-inkomen, dat in aanmerking zou zijn genomen indien de premieplicht even lang had geduurd als de belastingplicht, met dien verstande dat (...) na de herleiding niet meer in aanmerking wordt genomen dan het vorenbedoelde bedrag, verminderd met het deel daarvan, hetwelk krachtens de sociale wetgeving van een andere mogendheid is onderworpen aan een premieheffing (...)" 2. . De in de Stcrt. afgedrukte Toelichting verwees naar de arresten van 1977 en vervolgde: "(...) De thans (...) geïntroduceerde nieuwe tekst van artikel 4 is erop gericht deze dubbele premieheffing te voorkomen." D. . P. Kavelaars, Premieheffing volksverzekeringen, 1986, nr. IV.2.1.c.2, blz. 144, betoogde: "(...) Door de redactie te wijzigen is voorkomen dat over dergelijke in het buitenland reeds aan de premieheffing onderworpen inkomsten in Nederland nogmaals premies zouden worden geheven. Deze beperking is gerealiseerd door in art. 4 Uitv. Besch. PH het herleide premie-inkomen te verminderen met het inkomen dat reeds aan de sociale wetgeving inzake ouderdom en nagelaten betrekkingen van een andere mogendheid is onderworpen, indien en voor zover het herleide premie-inkomen hoger is dan het inkomen exclusief het aan de buitenlandse premieheffing onderworpen inkomen. Is het op grond van art. 4 Uitv. Besch. PH herleide inkomen bijvoorbeeld f40.000, terwijl 1): "(...) Het premieinkomen is zodanig, dat in Nederland de maximale premieheffing volksverzekeringen wordt geheven. In Duitsland vindt eveneens heffing van vergelijkbare premies plaats (...), zodat per saldo aanzienlijk meer aan premies is verschuldigd dan het geldend maximum. (...) Naar onze mening wordt het heffen van premies sociale verzekering (...) beheerst door het bepaalde in EEG-Verordening nr. 1408/71. Doel van deze verordening is te voorkomen, dat geen dan wel dubbele verzekering c.q. geen dan wel dubbele heffing van premies plaats vindt. In de situatie waarin [belanghebbende] zich bevindt, vindt per saldo heffing plaats ver boven het vastgestelde maximum. Voor wat betreft heffing in Nederland dient aansluiting te worden gezocht bij het aantal in Nederland gewerkte dagen, aan welk aantal dagen het premiemaximum dient te worden gerelateerd. Het feit, dat [belanghebbende] gedurende zijn "nederlandse" periode reeds zoveel heeft verdiend, dat hij op basis daarvan de maximale jaarpremie zou zijn verschuldigd is in deze niet relevant." B. . Het vertoogschrift van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen Zwolle hield in (blz. 2): "(...) Op grond van art. 4 lid 1 Uitv. Reg. Pr. Volksverzek. 1990 is het premie-inkomen berekend op 214/365 x F. 128.000,- = F. 75.046,-. Art. 4 lid 3 Uitv. Reg. Pr. Volksverz. 1990 geeft als aanvulling op art. 4 lid 1 dat er als bedrag geen hoger premie-inkomen in aanmerking wordt genomen dan het belastbare inkomen verminderd met het gedeelte daarvan dat (...) in (...) Duitsland is onderworpen aan premieheffing (...) In cijfers: F. (128.000 - 39.007 duits inkomen) = F. 88.993,-. Aangezien deze aanvulling voor belanghebbende niet tot een voordelige uitkomst leidt blijft het berekende premie-inkomen F. 75.046,-. De maximaal verschuldigde premie is (...) 22,75 % van F. 42.966,- = F. 9.774,- (...)" IV. . De aangevallen uitspraak. Het Hof heeft overwogen (blz. 3): "(...) (4.1 ) Gelet op het arrest d.d. 5 mei 1977 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (...) kan het te dezen in Duitsland verdiende loon geheel noch gedeeltelijk de grondslag vormen voor premieheffing hier te lande. Deze regel kan belanghebbende echter niet baten omdat zijn hier te lande genoten loon de premiegrens overschrijdt. (2.2) Belanghebbendes beroep op doel en strekking van de EEG-Verordening 1408/71 gaat niet op. Het valt niet in te zien waarom daaruit zou voortvloeien dat belanghebbende in de gegeven omstandigheden minder premie volksverzekeringen verschuldigd zou behoren te zijn dan het geval was geweest indien hij alleen zijn werk op de onder Nederlandse vlag varende kotter had verricht. (...)" V. . De motivering van het beroep in cassatie. De belanghebbende betoogt: "(blz. 1) (...) Ingaande 1990 is de regelgeving met betrekking tot de berekening van het premieinkomen principieel gewijzigd. Was eerst het aantal dagen waarop iemand in Nederland werkzaam was bepalend, thans is uitsluitend het binnenlands inkomen bepalend. (...) In het tot 1990 gehanteerde systeem trad in principe nimmer dubbele heffing van premies volksverzekeringen op, indien iemand binnen een kalenderjaar deels in Nederland en deels in een ander EU-land (...) werkzaam was. Het maximum-premiebedrag was gerelateerd aan de breuk, waarbij de teller werd gevormd door het aantal dagen, dat in Nederland werd gewerkt en de noemer door het aantal premiedagen in een kalenderjaar. Ingeval iemand in stel 200 dagen meer dan het jaarmaximum verdiende was slechts 200/360 van het jaarlijks vastgestelde maximum premiebedrag aan premieheffing verschuldigd in Nederland. Het ander land kon heffen over de periode dat aldaar werd gewerkt. Het in 1990 ingevoerde systeem houdt nog slechts rekening met het binnenlands inkomen. Indien in stel 200 dagen meer wordt verdiend dan het maximum-premieinkomen (vastgesteld op jaarbasis) is in Nederland de maximum-premie op jaarbasis verschuldigd. Het andere land waarin wordt gewerkt zal over de overige dagen eveneens pre