Rechtspraak Hoge Raad 1995-11-01
ECLI:NL:HR:1995:AA3146
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 september 1994 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 85.941,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 85.711,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. 3.3. Het in 3.1 en 3.2 overwogene laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de door belanghebbende gemaakte cursus- en examenkosten niet strekten tot het op peil houden van reeds verworven vakkennis - daaronder begrepen de aanvulling van die kennis welke door de ontwikkeling van het vak is geboden om de vakbekwaamheid niet te doen verminderen - maar tot de verkrijging van een bevoegdheid die hij voordien niet bezat en die tot een duurzame verbetering van belanghebbendes positie in de accountancy heeft geleid. Zulks brengt mee dat, anders dan het Hof op het voetspoor van partijen heeft geoordeeld, niet sprake is van tot de aftrekbare kosten behorende studiekosten, maar van studiekosten die slechts op de voet van artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 aftrekbaar zijn. Het middel behoeft derhalve geen behandeling. 3.4. Nu uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet kan worden opgemaakt op welk bedrag belanghebbendes belastbare inkomen moet worden berekend indien de cursus- en examenkosten als tot de buitengewone lasten behorende studiekosten worden aangemerkt, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven en moet verwijzing volgen. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit arrest is op 1 november 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer, en de raadsheren Wildeboer, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.