Rechtspraak Hoge Raad 1995-11-08
ECLI:NL:HR:1995:AA3133
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: X) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 december 1992 betreffende de beslissing van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amsterdam (hierna: het Bestuur) de aanvraag tot toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) over het tijdvak 1 juli 1987 tot en met 31 december 1987 af te wijzen. 1. Beslissing van het bestuur en geding voor de Raad van Beroep Bij beslissing gedagtekend 12 februari 1988 heeft het bestuur de aanvraag van X tot toekenning van kinderbijslag ingevolge de AKW voor zijn - tot zijn huishouden behorende - kinderen W, geboren 5 december 1971, en V, geboren 14 februari 1973, over het derde en vierde kwartaal van 1987 afgewezen. Tegen die beslissing heeft X beroep ingesteld bij de Raad van Beroep te Rotterdam. De Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 13 december 1989 het beroep tegen die beslissing gegrond verklaard. 2. Geding voor de Centrale Raad van Beroep Het Bestuur heeft tegen de uitspraak van de Raad van Beroep hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak vernietigd en het inleidende beroep van X alsnog ongegrond verklaard. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht. 3. Geding in cassatie X heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het Bestuur heeft het cassatieberoep bij vertoogschrift bestreden. X heeft de zaak doen toelichten door mr. J.M. Barendrecht, advocaat te 's-Gravenhage. Het Bestuur heeft de zaak doen toelichten door mr. F.N. Meijer, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 6 maart 1995 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 4. Beoordeling van het middel van cassatie 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 4.1.1. X was als ingezetene, beoordeeld naar uitsluitend de regels van Nederlands nationaal recht, ingevolge het bepaalde in artikel 6, lid 1, van de AKW gedurende de onderhavige kwartalen verzekerd overeenkomstig de bepalingen van die wet. 4.1.2. X - die in 1987 de Joegoslavische nationaliteit bezat - is sedert 1970 hier te lande werkzaam in loondienst van het (destijds) Joegoslavische staatsbedrijf Monting te Zagreb. 4.1.3. In casu is van toepassing het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, Trb. 1977, 156 (hierna: het Verdrag). 4.1.4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 juni 1986, RSV 1987, 26, geoordeeld dat het betoog dat de bepalingen vervat in de artikelen 7 en 8 van het Verdrag exclusieve werking hebben in deze zin dat zij aangeven welke der beide wetgevingen bij uitsluiting van de andere toepasselijk is, niet als juist kan worden aanvaard. 4.1.5. Artikel 10 van het Verdrag luidt: "De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeen stemming, ten behoeve van de belanghebbende werknemers, uitzonderingen op de artikelen 7 tot en met 9 vaststellen.". 4.1.6. Op 11 maart 1987 is ter uitvoering van artikel 10 van het Verdrag tussen de bevoegde autoriteiten een akkoord tot stand gekomen (Trb. 1987, 182; hierna: het Akkoord), waarin - voor zover te dezen van belang - het volgende is bepaald: "Yugoslav workers employed in Yugoslav detached units in the Netherlands: "Monting" from Zagreb in Rotterdam, (...) shall be exempted from the application of the provisions of Article 7 of the Convention, and up to December 31, 1987 exclusively the Yugoslav regulations on social insurance shall be applied to these wor- kers.". 4.1.7. Het Bestuur heeft zijn hiervóór onder 1 bedoelde beslissing gegrond op het oordeel dat gezien het Akkoord uitsluitend de Joegoslavische sociale wetgeving op X van toepassing is en dat hij derhalve niet aan te merken is als verzekerde in de zin van de AKW. 4.2 Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt- Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 8 november 1995.Nr. 263 Mr Van den Berge Derde Kamer A Conclusie inzake: AKW 1987 X Parket, 6 maart 1995 tegen: het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Edelhoogachtbaar College, 1.Feiten en procesverloop. 1.1.Het beroep in cassatie is gericht tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 december 1992, nr. KBW 1990/7 . 1.2.Verzoeker tot cassatie (hierna: verzoeker) is sedert 1970 door het Joegoslavische bedrijf Monting in Nederland gedetacheerd. Hij was in 1987 Nederlands ingezetene maar bezat de Joegoslavische nationaliteit. 1.3.Bij beschikking van 12 februari 1988 heeft de Raad van Arbeid te Rotterdam (rechtsvoorganger van de Sociale Verzekeringsbank) geweigerd aan verzoeker kinderbijslag toe te kennen over het derde en vierde kwartaal van 1987, onder overweging dat op hem uitsluitend de Joegoslavische sociale verzekeringswetgeving van toepassing was en hij derhalve, hoewel Nederlands ingezetene, niet was aan te merken als verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet. 1.4.De (voormalige) Raad van Beroep te Rotterdam heeft het tegen de beslissing van de Raad van Arbeid ingestelde beroep gegrond verklaard. 1.5.Op beroep van het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank heeft de CRvB deze uitspraak vernietigd en het inleidend beroep van verzoeker alsnog ongegrond verklaard. 1.6.De uitspraak van de CRvB is op 26 januari 1993 in afschrift aan partijen verzonden. Het tegen de uitspraak gerichte verzoekschrift tot cassatie is op 26 maart 1993 ter griffie van Uw Raad ontvangen. Het is door de griffier doorgezonden naar de CRvB, waar het op 30 maart 1993 is ingekomen. Het beroep in cassatie geldt, gelet op art. 21, lid 1, Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, als tijdig ingesteld. Het steunt op één middel van cassatie, dat uit zes onderdelen bestaat. 1.7.Namens verweerster in cassatie is het middel bij vertoogschrift bestreden. 1.8.De zaak is voor verzoeker schriftelijk toegelicht door mr. J.M. Barendrecht en voor verweerster door mr. F.N. Meijer, beiden advocaat te 's-Gravenhage. 1.9.Onder de nrs. 260, 261 en 262 zijn soortgelijke zaken bij uw Raad aanhangig. 2.Voorgeschiedenis. 2.1.Titel II van het verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Joegoslavië van 11 mei 1977, Trb. 1977, 156 (hierna: het Verdrag), draagt als opschrift: bepalingen ter vaststelling van de toe te passen wetgeving. 2.2.HR 25 juni 1986, RSV 1987, 26, na conclusie van de advocaat-generaal Van Soest , wees van de hand het standpunt dat de tot die afdeling behorende artikelen 7 en 8 exclusieve werking zouden hebben in die zin, dat zij zouden aangeven of de Nederlandse danwel de Joegoslavische wetgeving inzake de sociale zekerheid bij uitsluiting van de andere toepasselijk is. Overwogen werd onder meer dat een dergelijke exclusieve werking niet uit de bewoordingen van het Verdrag volgt en dat veeleer uit art. 6, lid 1, en art. 34, lid 4, kan worden afgeleid dat de Verdragsluitende partijen het in beginsel voor mogelijk hebben gehouden dat een werknemer ingevolge de beide wetgevingen verzekerd is en dat zij de gevolgen daarvan hebben willen regelen door het tegengaan van dubbele uitkeringen. 2.3.Het eveneens tot titel II van het Verdrag behorende art. 10 luidt: "De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming, ten behoeve van de belanghebbende werknemers, uitzonderingen op [art Een regeling als die van het akkoord, waarin de toepassing van twee wetgevingen tegelijk ongedaan wordt gemaakt en één wetgeving wordt aangewezen, acht de Raad binnen die doelstelling een keuze ten behoeve van de betrokken werknemers. Dit oordeel wordt niet anders indien de Franse tekst van het betrokken artikel tot uitgangspunt wordt genomen." 4.5.In onderdeel 2 van het middel wordt aangevoerd dat art. 10 slechts de mogelijkheid geeft om voor werknemers een beter voorzieningenniveau te bereiken. Volgens de toelichting op het middel zou het artikel wellicht ook de mogelijkheid kunnen geven om (nieuwe) aanspraken toe te kennen, maar zou het in geen geval de mogelijkheid bieden aan werknemers bestaande aanspraken te ontnemen. 4.6.De tekst van de bepaling dwingt echter niet tot deze uitleg. De tekst laat ook de uitleg toe dat de bevoegde autoriteiten voor ogen wordt gehouden dat de te treffen regelingen de belangen van de werknemers moeten dienen en - bij voorbeeld - niet uitsluitend de belangen van uitvoerende instanties. 4.7.De Nouveau Petit Robert (1993, blz. 900) geeft als eerste betekenis van `en faveur de': en consideration de , en geeft daarnaast als betekenissen: au profit, au bénéfice, dans l'intérêt de. De Nederlandse vertaling: 'ten behoeve van' lijkt mij daarom niet onjuist. 4.8.Uit 4.6. volgt dat ook dit onderdeel faalt. 5.Art. 35, lid 2, van het Verdrag. 5.1.Art. 35, lid 2, van het Verdrag, opgenomen in titel IV (Diverse bepalingen), luidt: "De bevoegde autoriteiten regelen, in voorkomende gevallen, in onderling overleg de situatie van bijzondere categorieën werknemers." 5.2.Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de CRvB van 10 november 1992 (blad 3, achterzijde) is door de gemachtigde van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, mr R.A. Zieck, naar aanleiding van een vraag opgemerkt: "Art. 35, lid 2 van het Verdrag is niet aan de orde geweest, omdat dit artikel een bepaling van algemene strekking is, die in een ander kader past, terwijl art. 10 slechts zeer beperkt de mogelijkheid biedt iets aanvullends te doen (...)." 5.3.Het komt mij voor dat de in art. 35, lid 2 gegeven bevoegdheid zo ruim is geformuleerd dat deze bepaling - naast art. 10 - als basis kan dienen voor het gesloten Akkoord. Derhalve kunnen de onderdelen 1 en 2 van het middel, ook als deze op zich gegrond zouden zijn, niet tot cassatie leiden. 6.Het Akkoord als apart verdrag, onderdeel 3 en 4 van het middel. 6.1.Uit blz. 7 (slot) van de uitspraak blijkt dat de CRvB onder ogen heeft gezien of het Akkoord wellicht als een aparte overeenkomst zou kunnen worden beschouwd die, als zijnde van later datum, het Verdrag wellicht opzij zou kunnen zetten. Deze mogelijkheid heeft de Raad niet besproken, omdat art. 10 volgens de Raad al de bevoegdheid gaf tot het afsluiten van het Akkoord. 6.2.Onderdeel 3 van het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat de CRvB zou hebben geoordeeld dat het Akkoord, opgevat als aparte overeenkomst, voorrang zou hebben boven het Verdrag. 6.3.In het vertoogschrift wordt terecht opgemerkt dat de CRvB een dergelijke beslissing niet heeft gegeven, zodat het onderdeel feitelijke grondslag mist. 6.4.In onderdeel 4 van het middel wordt, voortbouwend op het derde onderdeel, betoogd dat het Akkoord niet kan worden beschouwd als een verdrag als bedoeld in art. 93 en 94 Grondwet. 6.5.Ook als zou worden aangenomen dat art. 10 niet de bevoegdheid gaf tot het sluiten van het Akkoord, faalt dit onderdeel, omdat wordt miskend dat art. 35, lid 2, van het Verdrag de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid gaf om voor bijzondere categorie werknemers een aparte regeling te treffen. 7.Strijd met andere verdragen 7.1.In onderdeel 5 van het middel wordt de CRvB verweten, voorbij te zijn gegaan aan het beroep van verzoeker op een drietal bepalingen in andere verdragen. Als eerste wordt genoemd art. 6, lid 1, van het ILO-Verdrag betreffende migrerende arbeiders (Trb. 51, 34). 7.2.Dit artikel houdt o.a. in: "1. Elk lid, waarvoor dit Verdrag