Rechtspraak Hoge Raad 1995-10-18
ECLI:NL:HR:1995:AA3113
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 mei 1994 betreffende de aan de vennootschap naar het recht van Delaware (Verenigde Staten van Amerika) X te Z (Verenigde Staten van Amerika) voor het boekjaar 1983/1984 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het boekjaar 1983/1984 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar binnenlands bedrag van ƒ 3.883.200,--, onder vermindering van de belasting met investeringsbijdragen ten bedrage van ƒ 2.388.810,--, resulterend in een belastingbedrag van negatief ƒ 680.203,--. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag ten bedrage van negatief ƒ 4.349.156,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Nadat in blok V7 van het continentaal plat de aanwezigheid en de plaats van een economisch winbaar reservoir aardgas was aangetoond, is met betrekking tot dit gebied een winningsvergunning als bedoeld in de Mijnwet continentaal plat afgegeven. Deze wet houdt regelen in ten aanzien van het onderzoek naar en de winning van delfstoffen in of op het onder de Noordzee gelegen deel van het continentaal plat. Het is verboden zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken in, op of boven het continentaal plat onderzoekingen te verrichten, welke kunnen leiden tot het aantonen van de aanwezigheid van delfstoffen, of delfstoffen te winnen. Opsporings- en winningsvergunningen kunnen door de Minister van Economische Zaken op aanvraag worden verleend. Iedere vergunning geldt voor een bepaald, nauwkeurig omschreven en met een letter-cijfercombinatie aangeduid gedeelte van het continentaal plat. Per gebied kan slechts één opsporings- of winningsvergunning worden afgegeven. 3.1.2. De looptijd van een winningsvergunning wordt in de vergunning bepaald en is in casu veertig jaren. De houder van een winningsvergunning is verplicht tot winning over te gaan. Eerst door winning wordt de vergunninghouder juridisch eigenaar van de delfstoffen. Tot die tijd blijft de Staat eigenaar daarvan. 3.1.3. Aan een winningsvergunning zijn een aantal voorwaarden en verplichtingen verbonden, zoals jaarlijkse betaling van een oppervlakterecht, betaling van een winstaandeel, toelating van staatsdeelneming, verwijdering van niet meer in gebruik zijnde mijnbouwinstallaties en afdichting van niet in bedrijf zijnde boorputten. Een houder van een vergunning kan zijn vergunning geheel of gedeeltelijk aan een ander overdragen, nadat toestemming van de Minister van Economische Zaken is verkregen. 3.1.4. Bij overeenkomst van 17 oktober 1983 heeft belanghebbende alle Nederlandse belangen overgenomen van A Ltd. Deze overname betrof, voor zover te dezen van belang, een aandeel van 3,75% in de winningsvergunning V7. De levering vond plaats bij akte van 15 maart 1984. Van de koopprijs heeft een gedeelte, groot ƒ 30.574.607,--, betrekking op de produktie- rechten, belichaamd in de winningsvergunning die is afgegeven voor blok V7. 3.2. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het aangaan van de verplichting tot de betaling van het bedrag van ƒ 30.574.607,-- ter zake van genoemde produktierechten is aan te merken als investering in een bedrijfsmiddel als bedoeld in de artikelen 23b en 23c (tekst 1983) van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 jo artikel 61a, lid