Rechtspraak Hoge Raad 1995-03-01
ECLI:NL:HR:1995:AA3092
gewezen op het beroep in cassatie van het Dagelijks Bestuur van het waterschap Oost-Veluwe tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 9 februari 1993 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1991 opgelegde aanslag in de waterschapslasten. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is als genothebbende krachtens zakelijk recht van het perceel kadastraal bekend gemeente Z, sectie A, nummer 1111 voor het jaar 1991 een aanslag in de waterschapslasten van het waterschap Oost-Veluwe, hierna: het Waterschap, opgelegd tot een bedrag van ƒ 128,93, welke aanslag na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling financiën van het Waterschap is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Het Dagelijks Bestuur van het Waterschap heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 13 september 1994 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot bevestiging van de uitspraak op het bezwaarschrift. 3. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie 3.1. Het perceel waarop de aanslag betrekking heeft is bij het op 3 mei 1985 door het gecombineerd college van het Waterschap in verband met de berekening van de waterschapslasten ter zake van de waterbeheersing vastgestelde besluit tot indeling van percelen in omslagklassen, hierna: het classificatiebesluit, ingedeeld in Klasse III. Deze klasse wordt in de van toepassing zijnde belastingverordening van het Waterschap omschreven als: "Ongebouwde onroerende goederen, die door hun ligging minder belang hebben bij de werken van het waterschap dan de tot de klassen I en II behorende ongebouwde onroerende goederen". 3.2. Tegen het classificatiebesluit stond - op grond van artikel 103, lid 2, van het Gelders Waterschapsreglement - beroep open bij Gedeputeerde Staten van Gelderland. De beslissing van Gedeputeerde Staten op een dergelijk beroep is "een besluit tot indeling van percelen in omslagklassen" als bedoeld in artikel 17 van de Bevoegdhedenwet waterschappen waartegen (administratief) beroep op de Kroon openstond. Op grond van deze mogelijkheden tot het instellen van beroep oordeelde de wetgever het onjuist dat een belastingplichtige de mogelijkheid zou hebben de classificatie ook voor de belastingrechter te betwisten. Deze classificatie staat derhalve niet ter beoordeling van de belastingrechter. 3.3. Het door belanghebbende voor het Hof ingenomen standpunt te weten: dat haar perceel bij gebreke van enig belang bij de vervulling van de waterbeheersingstaak door het Waterschap ten onrechte in een betalende klasse is ingedeeld, komt neer op een betwisting van de classificatie. Op grond daarvan had het Hof de uitspraak van het Hoofd van de afdeling financiën van het Waterschap dienen te bevestigen. De uitspraak van het Hof kan derhalve niet in stand blijven. Het middel behoeft geen behandeling. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en bevestigt de uitspraak van het Hoofd van de afdeling financiën van het Waterschap. Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 1 maart 1995.Nr. 29.494 Mr. Moltmaker Derde kamer B Conclusie inzake Waterschapslasten WATERSCHAP OOST-VELUWE tegen P dat als bij gebreke van waterbeheersing op lager gelegen gebieden de grondwaterstand in het hoger gelegen gebied zo hoog kan worden, dat er kruipruimten vochtig worden, het er niet toe doet of het onderhavige per- ceel al dan niet een kruipruimte heeft. Idem voor afvoer via riolering: indien daarin een taakvervulling van het Waterschap valt te onderkennen, is het niet van belang of het onderhavige perceel op de riolering is aangesloten. 2.1.3 Belanghebbendes perceel ligt in de overgangszône tussen hoog en laag gebied en is door het waterschap ingedeeld in klasse III. Tot die klasse behoren de ongebouwde onroerende zaken die door hun ligging minder belang, d.w.z. door hun hoogte en profielopbouw geen rechtstreeks belang hebben bij de werken van het waterschap. Volgens het waterschap hebben deze onroerende zaken evenwel een indirect belang bij die werken (veelal aanwezig in het gebied van klasse II) en wel om drie redenen: a. voor zover (hemel)water van de gronden van klasse III (als ondiepe, snel reagerende stroming van het grondwater) wordt afgevoerd via watergangen (beken en sprengen) die in beheer en onderhoud bij het waterschap zijn, blijft de grondwaterstand van de onroerende zaken van klasse III op een niveau dat de noodzaak van afwateringsmiddelen overbodig maakt; b. voor zover het water als diepe en trage stroming van het grondwater tot afstroming komt, vormt dit kwel in de lagere gronden van klasse II, dat via de daar aanwezige afwateringsmiddelen moet worden afgevoerd. c. voor zover het overstortwater van de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd via watergangen die in beheer en onderhoud zijn bij het Waterschap, ontbreekt de noodzaak het rioleringsstelsel vele malen ruimer te dimensioneren en betalen de aangeslotenen dus minder rioolrecht. 2.1.4 In zijn vertoogschrift voor het hof lijkt het Waterschap de discussie te beperken tot de in het vorige punt genoemde redenen sub b en c. Naast de stelling omtrent de afvoer van kwelwater (reden sub c), vermeldt het Waterschap slechts dat de woning van belanghebbende is aangesloten op de gemeentelijke riolering en laat direct daarop de volzin volgen: "Zij heeft derhalve belang bij de afvoer van overstortwater, dat in voorkomende gevallen indirect wordt afgevoerd via watergangen, die in beheer en onderhoud zijn bij het waterschap." 2.1.5 Naar het mij voorkomt, blijft echter ook reden sub a in deze procedure een rol spelen. Ter zitting van het hof van 4 maart 1992 heeft het Waterschap overgelegd een "Toelichting inzake klassificatie en indeling in omslagklasse III van het onderwerpelijke perceel", waarin wordt gezegd: "Indien deze hoeveelheid grondwater niet wordt afgevoerd leidt dit tot een stijging van de G.H.G. (gemiddelde hoogste grondwaterstand, M.) in het betreffende perceel tot een niveau waarbij in natte periode (winter) wateroverlast ontstaat (zie bijgaande tekening)." Bovendien heeft het hof in rov. 4.4 een overweging gewijd aan de aanwezigheid c.q. vochtigheid van kruipruimten. Dit past slechts in een discussie over de reden sub a (grondwaterstand) en zou overbodig zijn als de discussie zich beperkte tot de reden b (kwelwaterafvoer) en c (afvoer via riolering). 2.1.6 Ik vermeld volledigheidshalve nog, dat de vraag of de op 1 januari 1992 in werking getreden Waterschapswet al dan niet op het onderhavige geval van toepassing is, niet van belang is, aangezien ook de Waterschapswet blijkens art. 119, zesde lid, uitdrukkelijk verband legt met de omslagheffing en de omvang van het belang van de omslagplichtigen bij de behartiging van de taken waarmee het waterschap is belast. Zie bijv. K.B. 8 november 1991, AB 1992,642 m.nt. JJIV en voorts over deze bepaling (toen nog art. 4.18, vijfde lid, Ontwerp Waterschapswet) uitvoerig mijn conclusie voor HR 1 juli 1988, BNB 1988/293* m.nt. H. J. Hofstra. 2.2 De bewijsvoering in het algemeen (onderdelen 1 tot en met 8) 2.2.1 Met betrekking tot de bewijsvoering inzake het - door het Waterschap als "indirect" omschreven - belang, is er Tot dat "gemeen" belang behoort - wat de waterbeheersing betreft -niet enkel het belang van degenen die daardoor rechtstreeks worden gebaat maar ook het belang dat het waterschap voorzieningen treft tot opheffing van waterstaatkundige bezwaren voortvloeiende uit de vrije afstroming van hoger gelegen grond op lage gronden (die afwateren op het stelsel van watergangen) en uit lozingen." 2.2.6 In punt 5 van mijn conclusie voor het arrest BNB 1988/293* en punt 3.3 van mijn conclusie voor het arrest BNB 1989/215* bepleitte ik een marginale en terughoudende toetsing als het gaat om de vraag of er sprake is van een willekeurige en onredelijke heffing die de wetgever bij het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad. Zie ook de noot van Hofstra onder HR 1 juli 1987, BNB 1987/309* en onder BNB 1988/293*. 2.2.7 In de genoemde arresten BNB 1984/259* en BNB 1989/215* formuleerde Uw Raad het begrip "belang" zodanig ruim, dat daaronder ook valt de situatie waarin een perceel door het veroorzaken van wateroverlast de taakvervulling van het waterschap noodzakelijk maakt. Dit impliceert, dat die taakvervulling zich ook geheel buiten het wateroverlast veroorzakende perceel kan afspelen. 2.2.8 Hoewel - zoals uit de in punt 2.2.2 vermelde jurisprudentie blijkt - de gebiedsomschrijving niet zonder meer doorslaggevend is voor de omslagplicht, heeft in het licht van het vorenstaande het hof m.i. een te strenge maatstaf aangelegd door van het Waterschap bewijs te verlangen met betrekking tot het specifieke belang van belanghebbendes perceel. M.i. levert het door het waterschap gestelde, afzonderlijk en in onderling verband beschouwd, voldoende bewijs voor de stelling dat het gebied waarin het perceel van belanghebbende ligt en dus ook dat perceel zelf (indirect) belang heeft bij de taakvervulling van het waterschap in de ruime zin als hierboven omschreven. De onderdelen 1 tot en met 8 van het cassatiemiddel, gelezen in hun onderling verband, slagen derhalve. 2.3 De bewijsvoering in het bijzonder (onderdelen 9 tot en met 15) 2.3.1 Het hierna volgende is slechts van belang indien Uw Raad mijn opvatting als verdedigd in punt 2.2 niet deelt. 2.3.2 Uit rov. 4.4 volgt, dat het hof slechts een belang aanneemt, indien de woning op belanghebbendes perceel een kruipruimte heeft en zo ja, dat zonder de waterbeheersing er af en toe water in zou staan. Een en ander is volgens het hof niet gesteld of gebleken. Met betrekking tot de aanwezigheid van een kruipruimte is dit laatste juist. Met betrekking tot de vraag of àls er een kruipruimte zou zijn, daar af en toe water in zou staan, lijkt mij de overweging van het hof niet in overeenstemming met hetgeen door het waterschap voor het hof is gesteld. Ik verwijs naar het citaat in punt 2.1.5 hiervóór. Dit laatste kan echter niet tot cassatie leiden, indien Uw Raad met het hof van oordeel is, dat als belanghebbendes perceel geen kruipruimte heeft, dat perceel geen belang bij de hoogte van het grondwater heeft en dus ook geen belang bij de taakvervulling van het waterschap. In dat geval kan onderdeel 10 van het middel niet tot cassatie leiden. 2.3.3 Rov. 4.5 van de uitspraak van het hof betreft de - door het hof ontkennend beantwoorde - vraag of het afvoeren van overstortwater via de gemeentelijke riolering een belang vormt dat de waterschapsomslag rechtvaardigt (onderdelen 9, 11, 12 en 13 van het cassatiemiddel). Volgens het hof is dit een belang van de gemeente en hebben degenen die op de riolering zijn aangesloten slechts in zoverre een (afgeleid) belang, dat zij daardoor minder rioolrecht behoeven te betalen. Het hof acht dit (afgeleide) belang een onvoldoende aanwijsbaar belang bij de waterbeheersingstaak van het Waterschap. Het Waterschap bestrijdt dit met o.m. de stelling (zie onderdeel 12 van het cassatiemiddel), dat de kosten van het overstorten ingevolge art. 2 van de Belastingverordening van het Waterschap, juncto art. 101, eerste lid, van het Gelders Waterschapsreglement (geciteer