Rechtspraak Hoge Raad 1995-03-01
ECLI:NL:HR:1995:AA3088
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 januari 1993 betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag in de bouwgrondbelasting A van de gemeente Z. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is, als genothebbende krachtens zakelijk recht van de onroerende zaak, kadastraal bekend als gemeente Z, sectie B, nummer 1111 een aanslag in de bouwgrondbelasting A van de gemeente Z opgelegd ten bedrage van ƒ 48.243,--. De aanslag is ambtshalve verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 46.406,--. De aldus verminderde aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Z (hierna: B en W) gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. B en W hebben een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft zijn zaak doen toelichten door mr. R. van Gelder, advocaat bij de Hoge Raad. 3. Beoordeling van de klachten en ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In het kader van het bouwrijp maken van gronden in het plan a-straat-b-straat in Z is de Gemeente onder meer overgegaan tot het uitvoeren van een reconstructie van de weg genaamd A, waarbij voorzieningen van openbaar nut zijn getroffen. Ingevolge de Verordening bouwgrondbelasting A van 28 juni 1983, hierna: de Verordening van 28 juni 1983, is belanghebbende als degene die op 1 januari 1984 het genot krachtens zakelijk recht heeft van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Z, sectie B, nummer 1111, (hierna: het perceel), dat aan de noordzijde over de gehele, ongeveer 38 meter bedragende, lengte grenst aan de A, een aanslag opgelegd. De voorzieningen zijn in het najaar van 1982 voltooid. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan is bij besluit van de gemeenteraad van 8 juni 1982 gewijzigd, welke wijziging door Gedeputeerde Staten op 20 juli 1983 werd goedgekeurd. Door deze wijziging verkreeg onder andere voormeld perceel, waarop aan de zijde van de c-straat reeds een woning was gebouwd, ook aan de zijde van de A tot een diepte van 25 meter - dat wil zeggen: tot ongeveer 12 meter uit de achtergevel van die woning - een bouwbestemming (vrijstaande of dubbele woning). 3.2. In de Verordening van 28 juni 1983 wordt het begrip "het onroerende goed" - ook perceel" of "het belastbare perceel" - gebruikt in de betekenis die daaraan ingevolge artikel 274 van de gemeentewet (oud) moet worden toegekend. Partijen zijn kennelijk ervan uitgegaan dat het perceel als geheel genomen één onroerend goed in de zin van de Verordening vormt. De Hoge Raad zal met het Hof partijen volgen in die opvatting nu niet gebleken is dat deze berust op een juridisch onjuist uitgangspunt. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat het feit dat de wijziging van het bestemmingsplan, waardoor ook de achter de woning gelegen noordzijde van het perceel van belanghebbende over een brede, hierna ook als de achterstrook aan te duiden, strook een bouwbestemming kreeg, eerst op 20 juli 1983 door de Gedeputeerde Staten werd goedgekeurd niet eraan afdoet dat dit perceel door de in de Verordening van 28 juni 1983 vermelde werken van openbaar nut beter geschikt kon worden voor bebouwing. 3.4. Dit oordeel is juist aangezien bij de beantwoording van de vraag of een onroerend goed door voorzieningen van openbaar nut geschikt of beter geschikt wordt voor bebouwing in de zin van artikel 274 van de gemeentewet (oud) dient te worden uitgegaan van de omstandigheden, waaronder de op het onroerend goed rustende bestemming, op het tijdstip waarop in verband met de termijn van artikel 274, tweede lid uiterlijk had moeten worden besloten tot heffing van bo