Rechtspraak Hoge Raad 1995-03-08
ECLI:NL:HR:1995:AA3079
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 mei 1993 betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1983 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 558.584,-- met een verhoging wegens niet tijdige aangifte groot ƒ 250,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De aanslag is nadien door de Inspecteur ambtshalve verminderd wegens toepassing van een aftrek elders belast over een buitenlandse winst groot ƒ 384.371,--. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft gehandhaafd, zoals de Inspecteur die ambtshalve heeft verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 27 september 1994 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Belanghebbende heeft een schriftelijke reactie op die conclusie gegeven. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende stelt zich ten doel de verwerving, exploitatie en vervreemding van onroerende zaken. 3.1.2. Belanghebbende vormt een fiscale eenheid met onder meer haar dochtervennootschap A B.V. en de 100% dochtervennootschap van die B.V., B B.V. B B.V. is eigenaresse van in België gelegen winkelpanden. Deze winkelpanden worden aan derden verhuurd. 3.1.3. De inkomsten, behaald uit deze winkelpanden, worden op grond van het Verdrag met België van 19 oktober 1970, Tractatenblad 1970, nr. 192, in België belast, zoals bepaald in de artikelen 6 en 13 van dat verdrag. 3.2. Tussen partijen is in geschil of de boekwaarde van de in België gelegen winkelpanden bij de bepaling van de grondslag voor de toepassing van de vermogensaftrek van artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met artikel 14a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1983, hierna: de Wet) al dan niet buiten aanmerking moet worden gelaten. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat reeds op grond van de tekst van artikel 14a van de Wet de onderhavige vermogenbestanddelen buiten aanmerking moeten blijven voor de toepassing van de vermogensaftrek, omdat deze vermogensbestanddelen op grond van artikel 2, lid 5, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 behoren tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende en op de met deze in België gelegen vermogensbestanddelen behaalde winst een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. 3.4. Het middel bestrijdt dit oordeel met het betoog dat op grond van artikel 14a, lid 2, aanhef en letter c, van de Wet slechts voor vermogensaftrek buiten aanmerking blijven vermogensbestanddelen die - anders dan in casu - een zodanige organische samenhang vertonen, dat gesproken kan worden van een zelfstandig(e) (gedeelte van een) onderneming in materiele zin, terwijl op de winst van die onderneming - of een zelfstandig gedeelte daarvan - een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. 3.5. Voor de toepassing van de regeling van de bijzondere winstaftrek, die van kracht was gedurende de jaren 1978 tot en met 1980, was in het te dezen toepasselijk verklaarde artikel 44j van de Wet bepaald dat buiten aanmerking bleven: "vermogensbestanddelen en reserves waarvan de waardeveranderingen onderscheidenlijk de wijzigingen behoren tot winst ter zake waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting geldt". Ingaande het jaar 1981 de bijzondere winstaftrek vervangen door de v