Rechtspraak Hoge Raad 1995-02-08
ECLI:NL:HR:1995:AA3070
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 oktober 1993 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende, aan wie aanvankelijk voor het jaar 1986 geen aanslag in de vennootschapsbelasting was opgelegd, is over dat jaar een navorderings- aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 10.000.000,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100 percent, van welke verhoging bij besluit van de Inspecteur geen kwijtschelding is verleend. Belanghebbende is tegen die aanslag en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 9.071.668,--, met een verhoging van 100 percent, het besluit heeft vernietigd, en kwijtschelding van de verhoging heeft verleend tot op 25 percent. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende vormde tot 1 januari van het onderhavige jaar (1986) tezamen met onder meer haar aandeelhoudster A B.V. (hierna: A) een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1986, hierna: de Wet). Aan die fiscale eenheid is met ingang van genoemde datum een einde gekomen ten gevolge van de vervreemding op 27 januari 1986 door A van haar aandelen in belanghebbende aan B N.V. te Q (Curaçao). 3.1.2. Op het door A op 29 juni 1987 ter inspectie ingezonden aangiftebiljet vennootschapsbelasting over 1986 is de vraag of dat jaar een ontvoeging had plaatsgevonden, ontkennend beantwoord. In een van de bijlagen was evenwel vermeld dat per 1 januari 1986 sprake was van een deelneming in belanghebbende en dat deze deelneming in de loop van 1986 is verkocht. 3.1.3. Aan belanghebbende - die vóór 16 mei 1991 niet verzocht heeft om uitreiking van een aangiftebiljet voor het jaar 1986 noch voor een van de daaropvolgende jaren - is voor het jaar 1986 geen primitieve aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd. De Inspecteur heeft op 14 oktober 1991 aan belanghebbende aangiftebiljetten vennootschapsbelasting voor de jaren 1986 tot en met 1990 uitgereikt. Op 18 november 1991 zijn belanghebbendes jaarrekeningen over de jaren 1986 tot en met 1989 ter inspectie ingekomen. Bij brief van 19 december 1991 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat ten name van haar een navorderingsaanslag zou worden opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 10.000.000,-- en dat hij een verhoging van 100%, zonder kwijtschelding, passend en geboden achtte. Dienovereenkomstig heeft hij vervolgens met dagtekening 31 december 1991 de onderhavige navorderingsaanslag vastgesteld. De Inspecteur heeft zich voor het Hof nader op het standpunt gesteld dat het belastbare bedrag op ƒ 9.071.668,-- dient te worden gesteld. 3.1.4. In de aan 1986 voorafgaande jaren heeft belanghebbende geen activiteiten ontplooid. Op 30 januari 1986 verwierf zij een belang van 28,39% in C N.V. (hierna: C). Vervolgens heeft zij in de loop van 1986 456.652 aandelen C verkocht voor in totaal ƒ 24.376.740,--, waarbij een koerswinst is behaald van in totaal ƒ 9.763.876,--. 3.1.5. Belanghebbende heeft - voor zover in cassatie van belang - zich voor het Hof gesteld op de volgende standpunten - die door de Inspecteur alle zijn bestreden - : dat in het onderhavige geval het voor navordering vereiste nieuwe feit ontbreekt, aangezien de Inspecteur vóór het verstrijken van de drie-jaarstermijn, als bedoeld in artikel 11, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AW