Rechtspraak Hoge Raad 1995-01-11
ECLI:NL:HR:1995:AA3055
gewezen op de beroepen in cassatie van X te Z - belanghebbende - en van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 31 augustus 1992 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de premieheffing volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1985 een aanslag in de premieheffing volksverzekeringen opgelegd naar een premie-inkomen van ƒ 70.252,-- ten bedrage van ƒ 17.286,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 2.682,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft eveneens beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben ieder bij vertoogschrift het cassatieberoep van de wederpartij bestreden. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 28 april 1994 geconcludeerd tot het voorleggen van een of meer vragen van Europees recht aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende, die in het onderhavige jaar (1985) gedurende het gehele jaar in Nederland woonachtig was, oefent sedert 1 april 1983 in Q (Duitsland) zelfstandig - tot midden 1985 in maatschapsverband - het beroep van huidarts uit. In het kader van zijn artsenpraktijk exploiteerde hij in de jaren 1985 en 1986 in zijn woonplaats Z een laboratorium. Dit laboratorium verrichtte uitsluitend werkzaamheden ten behoeve van de artsenpraktijk van belanghebbende dan wel van de maatschap. Bedoelde werkzaamheden werden, onder toezicht en verantwoordelijkheid van belanghebbende, uitgeoefend door diens echtgenote en een assistente. De werkzaamheden in het laboratorium vergden weinig tijd van belanghebbende; hij was slechts incidenteel daadwerkelijk in het laboratorium aanwezig. Met ingang van 1987 wordt het laboratorium door een besloten vennootschap geëxploiteerd. Belanghebbende heeft in zijn aangifte over 1985 een bedrag van ƒ 85.605,85 vermeld als door hem genoten winst uit onderneming, van welk bedrag ƒ 8.041,95 betrekking had op het laboratorium en ƒ 77.563,90 op de te Q verrichte werkzaamheden. Belanghebbende was, beoordeeld naar uitsluitend de regels van Nederlands nationaal recht, voor het jaar 1985 als ingezetene verplicht verzekerd ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de overige volksverzekeringswetten (in de voor het jaar 1985 geldende teksten). 3.1.2. In Duitsland was belanghebbende sedert 1 januari 1976 wettelijk verplicht lid van de Aerztekammer A te R (Duitsland) en dientengevolge verplicht verzekerd bij de Aerzteversorgung A ter zake van de risico's van ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid. 3.1.3. De Inspecteur heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor het jaar 1985 onder de personele werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971, zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981, (hierna: de Verordening) viel, en dat het bepaalde in de Verordening meebrengt dat op hem slechts de Nederlandse wetgeving van toepassing was. Belanghebbende heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat van hem hier te lande geen premies ingevolge de volksverzekeringen kunnen worden geheven, nu hij reeds ingevolge de Duitse wetgeving verplicht verzekerd was. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de personele werkingssfeer van de Verordening zich in 1985 niet uitstrek De winst uit het laboratorium bedroeg in 1985 f 8.041,95, de overige praktijkwinst f 77.563,90. 1.3.De belanghebbende is enige tijd als werknemer verplicht verzekerd geweest ingevolge de Duitse Rentenversicherung der Angestellten tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid. Deze verzekering werd per 1 januari 1976 beëindigd omdat hij - eerst als arts in dienstbetrekking, vanaf 1 april 1983 als zelfstandig arts - wettelijk verplicht verzekerd werd bij de Ärtzteversorgung A (nader: de Versorgungseinrichtung), een publiekrechtelijke rechtspersoon die zich onder meer toelegt op de verzekering van in loondienst en zelfstandig werkende artsen tegen - eveneens - de geldelijke gevolgen van ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid. Van een ander, daartoe bevoegd Duits orgaan ontving hij in het onderhavige jaar kinderbijslag. De belanghebbende was nimmer naar Duits nationaal recht verplicht verzekerd tegen risico's als welke de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) dekt. 1.4.De inspecteur der directe belastingen te P (nader: de Inspecteur) heeft de belanghebbende aangeslagen in de premieheffing voor de volksverzekeringen naar een premie-inkomen van ƒ 70.525,-. De belanghebbende heeft tevergeefs gereclameerd. 1.5.Het Hof wees het beroep dat de belanghebbende deed op de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: de Verordening) af. Het Hof was van oordeel dat de belanghebbende in 1985 niet binnen de personele werkingssfeer van de Verordening viel omdat hij in dat jaar niet als werknemer in de zin van de Verordening kon worden beschouwd, hij weliswaar voldeed aan de voor Duitsland geldende definitie van het begrip zelfstandige (bijlage I, onderdeel I, letter C, bij de Verordening j? artikel 1, letter a, onderdeel ii, van de Verordening), maar het stelsel van de Versor- gungseinrichtung gelet op art. 1, onder j, laatste alinea, van de Verordening j? Bijlage II, onderdeel I, onder C, bij de Verordening niet kon gelden als wetgeving in de zin van de Verordening. 1.6.Dat de belanghebbende in het verleden werknemer in de zin van de Verordening was geweest, achtte het Hof niet van belang. De door de belanghebbende in Nederland verrichte werkzaamheden speelden volgens het Hof, gelet op de ondergeschikte betekenis daarvan, geen rol. 1.7. Het Hof heeft vervolgens het op 29 maart 1951 tussen Nederland en Duitsland gesloten verdrag inzake sociale verzekering, Trb. 1951, nr. 57 toegepast. Het Hof was van oordeel dat de belanghebbende gelet op art. 4, lid 1 van dat verdrag niet als verzekerde ingevolge de AOW, AWW, AAW en AKW kon worden aangemerkt, zodat de belanghebbende hiervoor ook geen premie was verschuldigd. Het Hof heeft de aanslag verminderd tot het bedrag van de premie voor de AWBZ omdat op dat punt van een dubbele verzekering geen sprake was. 1.8. Zowel de belanghebbende als de staatssecretaris van Financiën (nader: de Staatssecretaris) hebben tegen deze uitspraak tijdig beroep in cassatie ingesteld. De belanghebbende heeft daarbij één middel voorgesteld, de Staatssecretaris twee middelen, waarbij ik hetgeen onder het hoofd "toelichting" is opgenomen, tot de middelen reken. 1.9.Partijen hebben elkaars middel(en) bij vertoogschrift bestreden. 2. Het beroep van de belanghebbende. 2.1.De belanghebbende voert aan dat het Hof de exclusieve werking van de Verordening heeft miskend door geen verzekeringsplicht aan te nemen voor de AOW, AWW, AAW en AKW, maar wel voor de AWBZ. 2.2. Dit betoog ontbeert echter feitelijke grondslag, aangezien het Hof de Verordening in haar geheel niet van toepassing heeft geoordeeld. Derhalve faalt dit middel. 3. De personele werkingssfeer van de Verordening. 3.1.Art. 1 Verordening (tekst 1985) hield in: "Voor de toepassing van deze verordening: a. wordt onder "werknemer" en onder "zelfstandige" respectievelijk verstaan ieder: i. (....) ii. die in het kader van een stelsel van sociale zekerheid dat voor alle ingezetenen (...) geldt, verplicht verzekerd is tegen een of meer g Aangezien het gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 13 oktober 1993, C-121/92, (zaak Zinnecker) voldoende is indien de zelfstandige althans onder de wetgeving van één LidStaat valt, behoorde de belanghebbende in 1985 tot de personele werkingssfeer van de Verordening. 4. De volgens de Verordening toe te passen nationale wetgeving. 4.1. Art. 13 Verordening, tekst 1985, hield in: "1. Onder voorbehoud van artikel 14 quater zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele LidStaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepaling van deze titel vastgesteld. 2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17: a. (...) b. is op degene die op het grondgebied van een LidStaat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van de andere LidStaat woont;". Art. 14 bis Verordening stelt: "Ten aanzien van de in artikel 13, lid 2, sub b neergelegde regel gelden de volgende uitzonderingen en bijzonderheden: 1. (....) 2. Op degene die gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer LidStaten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, is de wetgeving van de LidStaat van toepassing op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van die LidStaat uitoefent. Indien hij geen werkzaamheden uitoefent op het grondgebied van de LidStaat waar hij woont, is de wetgeving van de LidStaat van toepassing op het grondgebied waarvan hij zijn hoofdwerkzaamheden verricht. De criteria ter bepaling van de hoofdwerkzaamheden zijn vastgesteld bij de in artikel 98 bedoelde verordening ". 4.2.Laatstbedoelde verordening is de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van de wijze van toepassing van de Verordening van 21 maart 1972, nr. 574/72, PB 1972, L 74. Art. 12 bis daarvan houdt onder andere in: "Voor de toepassing van (...) artikel 14 bis, punten 2 tot en met 4, (...) gelden de volgende regels: (....) 5. a. Indien degene, die op het grondgebied van twee of meer LidStaten werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt uit te oefenen maar geen enkel deel van deze werkzaamheden uitoefent op het grondgebied van de LidStaat waar hij woont, overeenkomstig artikel 14 bis, punt 2, tweede volzin, van de verordening, onderworpen is aan de wetgeving van de LidStaat op het grondgebied waarvan hij zijn hoofdwerkzaamheden verricht (....) (...) d. Bij de toepassing van artikel 14 bis, punt 2, derde zin, van de verordening, wordt, ter bepaling van de hoofdwerkzaamheden van de belanghebbende, in de eerste plaats rekening gehouden met de vaste en blijvende plaats van waaruit belanghebbende zijn werkzaamheden uitoefent. Bij gebreke hiervan dient met andere criteria, zoals de gebruikelijke aard of de duur van de uitgeoefende werkzaamheden, het aantal verleende diensten en het uit de uitoefening van deze werkzaamheden voortvloeiende inkomen, rekening te worden gehouden. (...)". 4.3. De Centrale Raad van Beroep (CRvB), 22 oktober 1993, KBW 1992/78, RSV 1994/70, betrof een in Portugal wonende betrokkene, die een winkelruimte en een aantal kamers verhuurde, welke onderdeel vormden van twee in Nederland gelegen en hem kennelijk in eigendom toebehorende panden. De betrokkene verbleef jaarlijks enige tijd in Nederland. Tijdens dat verblijf verrichtte hij onderhouds- en verbouwingswerkzaamheden aan de verhuurde ruimten. Vanuit Portugal regelde hij schriftelijk of telefonisch zaken betreffende de verhuur. De CRvB achtte op grond van art. 14 bis, lid 2 Verordening de Portugese sociale verzekeringswetgeving van toepassing. 4.4. Kavelaars, Toewijzingsregels in het Europees sociaal verzekeringsrecht, 1992, blz. 428, stelt: "Conform de systematiek bij werknemers wordt bij in geografisch opzicht gespreide werkzaamheden, de verzekeringsplicht in principe toegewezen aan de woonstaat. Voorwaarde is w