Rechtspraak Hoge Raad 1995-01-11
ECLI:NL:HR:1995:AA3043
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Duitsland) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 januari 1993 betreffende de haar voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de premieheffing volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1985 een aanslag in de premieheffing volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een premie-inkomen van ƒ 37.664,--. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 29 april 1994 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en die van de Inspecteur alsmede van de aanslag. 3. Ambtshalve beoordeling van 's Hofs uitspraak 3.1. Het Hof heeft - voor zover in cassatie van belang - het volgende vastgesteld: 3.1.1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar (1985) tezamen met haar echtgenoot gedurende het gehele jaar woonachtig in Duitsland. Zij dreef aldaar als zelfstandig ondernemer een bloemenzaak. Haar echtgenoot bezat de Nederlandse nationaliteit en was aldaar werkzaam in dienst van het Nederlandse Ministerie van Defensie. Belanghebbende was, beoordeeld naar uitsluitend de regels van Nederlands nationaal recht, voor het jaar 1985 op grond van, achtereenvolgens, het bepaalde in artikel 6, lid 1, aanhef en letter a, jo. artikel 3, lid 4, van de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW), in de tot 1 april 1985 geldende tekst, en artikel 6, lid 2, van de AOW, in de met ingang van 1 april 1985 geldende tekst, jo. artikel 1, lid 1, aanhef en letter a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen, eveneens in de met ingang van laatstgenoemde datum geldende tekst, verplicht verzekerd ingevolge de AOW en, op grond van de met voormelde bepalingen overeenstemmende bepalingen van die wetten, ook ingevolge de andere volksverzekeringswetten. 3.1.2. Belanghebbende was voor het jaar 1985 ingevolge de Duitse wetgeving niet verplicht verzekerd ter zake van de risico's die hier te lande door de volksverzekeringen worden gedekt. Zij had zich in Duitsland, behoudens door middel van een levensverzekering, ook niet vrijwillig voor een of meer van die risico's verzekerd. 3.1.3. Belanghebbende heeft zich voor het Hof - voor zover in cassatie nog van belang - op het standpunt gesteld dat zij, als niet in Nederland werkzame zelfstandige, op grond van het bepaalde in artikel 13, lid 2, aanhef en letter b, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971, zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981 (hierna: de Verordening), hier te lande voor het jaar 1985 niet premieplichtig was voor de volksverzekeringen. De Inspecteur heeft zich - voor zover te dezen van belang - voor het Hof op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor het jaar 1985 niet onder de personele werkingssfeer van de Verordening viel. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, nu zij in Duitsland niet verplicht of vrijwillig verzekerd was voor de sociale verzekeringen, niet als zelfstandige in de zin van de Verordening kan worden aangemerkt. 3.3. De hiervóór in 3.1.1 vermelde feiten brengen met zich, gezien het bepaalde in artikel 2, lid 1, jo. artikel 1, aanhef en letter a, onder ii, en Bijlage I, onder I (thans: J), van de Verordening, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 oktober 1993 in zaak C-121/92, BNB 1994/203, dat belanghebbende de voor het onderhavige jaar dient te word Tot slot heeft het Hof onderzocht of de aanslag gelet op het op 29 maart 1951 tussen Nederland en Duitsland gesloten verdrag inzake sociale verzekering, Trb. 1951, 57 (nader: het Verdrag) in stand kon blijven. Dat was volgens het Hof het geval, omdat zich geen dubbele verzekeringsplicht voordeed (r.o. 4.4.). 1.5.Van deze uitspraak heeft belanghebbende tijdig beroep in cassatie ingesteld, daarbij drie klachten aanvoerend. 1.6. De staatssecretaris van Financiën (nader: de Staatssecretaris) heeft deze klachten bij vertoogschrift bestreden. 2. De positie van echtgenoten van uitgezonden 3. overheidsambtenaren voor de volksverzekeringen. 2.1. Ingezetenen van Nederland die jonger zijn dan 65 jaar zijn verzekerd ingevolge de AOW ( art. 6, lid 1 onder a AOW). Tot 1 april 1985 werden de buiten Nederland wonende overheidsambtenaren en hun echtgenoten ingevolge art. 3, lid 4 (oud) AOW als ingezetene beschouwd. Voor gehuwde vrouwen golden echter beperkte uitkeringsrechten [art. 7, lid 2 (oud) AOW] terwijl zij ook wat de heffing van premie betreft in de aanslagsfeer niet zelfstandig werden aangeslagen [art. 26, lid 3 (oud) AOW]. Hieraan kwam wat de heffing van premie betreft per 1 januari 1985 een einde door de Wet van 6 december 1984 Stb. 622 en wat het recht op uitkering betreft per 1 april 1985 door de Wet van 28 maart 1985 Stb. 180. Bij die laatste wet verviel ook het voormelde art. 3, lid 4 (oud) AOW. 2.2.Ingevolge art. 6, lid 2 AOW kan bij algemene maatregel van bestuur aan art. 6, lid 1 AOW zowel een uitbreiding als een beperking worden gegeven. Het besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen berust op deze bepaling. In de Memorie van Toelichting bij de Wet van 28 maart 1985 werd meegedeeld dat dit Besluit zou worden herzien. Opgemerkt werd: "[blz. 35] (...) De uitbreiding van de verzekeringsplicht heeft tot doel die personen onder de werkingssfeer van de Nederlandse volksverzekeringen te brengen die in het buitenland onvoldoende aanspraak kunnen maken op een uitkering wegens ouderdom, overlijden, arbeidsongeschiktheid en in verband met de opvoeding en verzorging van kinderen. De beperking van de verzekeringsplicht leidt ertoe, dat de Nederlandse overheid de zorg voor die ingezetenen loslaat, die reeds in het buitenland tegen voornoemde sociale risico's verzekerd zijn; dubbele verzekering en premieplicht wordt zodoende voorkomen. (...). [blz. 36] (...) Voor de in artikel 3, vierde lid, (...) genoemde echtgenoten geldt, dat hun verzekeringsplicht niet langer afhankelijk zal worden gesteld van die van de andere echtgenoot. Uiteraard zal het mogelijk blijven op grond van andere overwegingen voor deze echtgenoten toch een uitzondering te maken bij overeenkomstige regelingen met andere mogendheden. Zo zal in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden de bepaling worden opgenomen, waarbij buiten het Rijk verblijf houdende Nederlanders, die in dienstbetrekking staan tot een Nederlands publiekrechtelijk rechtspersoon, als verzekerde ingevolge de volksverzekeringswetten worden aangemerkt. De immuniteit van deze personen brengt mede, dat zij bezwaarlijk tot nakoming van door buitenlandse wetgevers opgelegde verplichtingen kunnen worden gedwongen. Op grond van het volkenrecht worden zij niet geacht te wonen in het land waar zij feitelijk verblijven. Opneming van deze bepaling dient niet ter voorkoming van dubbele verzekering, maar ter voorkoming van iedere schijn van onderschikking aan de wetgeving van het land, waar de betrokkene is gestationeerd. Wij zijn van mening dat een dergelijke bepaling om dezelfde reden zich ook dient uit te strekken tot de gezinsleden van de hiervoorbedoelde groep van personen. Uit een oogpunt van uniformiteit wordt eenzelfde wijziging voorgesteld in de overige volksverzekeringen." 2.3.Art. 1, lid 1 aanhef en onder a van het Besluit, kwam te luiden: "Als verzekerde wordt aangemerkt [in de zin van de AOW, de AWW, de AKW en de AWBZ] a. de buiten het Rijk verblijf houdende Nederla