Rechtspraak Hoge Raad 1995-09-27
ECLI:NL:HR:1995:AA1676
gewezen op het beroep in cassatie van de naamloze vennootschap X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 februari 1994 betreffende de haar voor het jaar 1987 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 33.798.543,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. P.A. Mackaaij, advocaat te Amsterdam. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 14 februari 1995 geconcludeerd tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en tot verwijzing van het geding. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Sinds 27 mei 1982 zijn de aandelen in belanghebbende voor 80% in handen van A B.V., een vennootschap die met haar moedermaatschappij B N.V. (hierna: B) deel uitmaakt van de fiscale eenheid C N.V. De overige 20% is in bezit van D. 3.1.2. Belanghebbende had per 1 januari 1987 een fiscaal vermogen van ƒ 514.171.409,--. Daartegenover stonden ultimo 1986 op de balans - voor zover te dezen van belang - posities in schatkistpapier (ƒ 298.500.000,--), obligaties (ƒ 26.000.000,--), een vordering van ƒ 120.054.783,-- op B en een post "Bankiers" tot een bedrag van ƒ 57.500.000,--. Beide laatstvermelde bedragen betroffen beleggingen in deposito's en obligaties. Het schatkistpapier werd op 1 januari 1987 voor een bedrag van ƒ 200.000.000,-- door De Nederlandsche Bank in onderpand gehouden voor de activiteiten van B. Feitelijk heeft belanghebbende - die geen personeel in dienst heeft - gedurende het jaar 1987 geen andere activiteiten ontwikkeld dan het beheren van deze activa. 3.1.3. De door belanghebbende gemaakte aanspraak op vermogensaftrek is door de Inspecteur niet aanvaard. 3.2. Het Hof heeft - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat belanghebbende haar activiteiten beperkt tot het op risico-mijdende wijze beleggen van haar vermogen, en wel door het aanhouden van schatkistpapier, deposito's bij B en/of anderen, obligaties en een rekening-courant bij B. Het Hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende moet worden aangemerkt als een lichaam welks feitelijke werkzaamheid bestaat in het beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid in de zin van artikel 8, lid 2, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1987, hierna: de Wet) nu - naar het oordeel van het Hof - de eerder omschreven activiteiten niet uitgaan boven hetgeen naar algemeen spraakgebruik onder normaal vermogensbeheer moet worden verstaan. 3.3. Het middel, dat zich tegen die gevolgtrekking keert, betoogt dat het Hof bij zijn oordeelsvorming ten onrechte slechts heeft betrokken de activiteiten die belanghebbende zelf heeft verricht en heeft veronachtzaamd dat deze activiteiten plaatsvonden in het kader van de onderneming zoals die werd gedreven in het concern waarvan belanghebbende deel uitmaakt. 3.4. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de Wet niet bedoelt moeder- en dochtervennootschappen als één geheel in de belasting te betrekken, doch ervan uitgaat dat een moedervennootschap en haar dochtervennootschappen op zichzelf staande lichamen vormen, die, voor zover de wet niet anders bepaalt, elk afzonderlijk belastingplichtig zijn. Voor de heffing van de vennootschapsbelasting geldt als uitgangspunt dat de bijzonder (...) Gedurende 1987 heeft gemiddeld 55% van het totaal beheerde vermogen daadwerkelijk als onderpand gediend. Aangezien X een belangrijk deel van de waardepapieren aanhield als onderpand (...) voor de activiteiten van B is sprake van een onderneming c.q. onderdeel van een onderneming en is geen sprake van beleggen. Dit onderpand diende namelijk ter verplichte dekking van de activiteiten van B zodat X als een verlengstuk van B dient te worden gezien. Dit standpunt vindt tevens steun in het feit dat schatkistpapier uitsluitend of nagenoeg uitsluitend wordt aangehouden in het bancaire circuit. De door X gedreven onderneming bestaat uit het verzorgen van deze verplichte dekking ten opzichte van De Nederlandsche Bank. Het drijven van een onderneming door X ligt dan ook in de lijn van de activiteiten (en derhalve de onderneming) van B. Om reden van het feit dat X zich dienstbaar heeft gemaakt aan het door B uitgeoefende bedrijf werd dan ook een rendement geaccepteerd dat lager was dan bij een op beleggingsresultaat gerichte activiteit het geval zou zijn. Als gevolg van het verbinden voor verplichtingen van het bedrijf van B werd een risico gelopen, ongewoon aan beleggen. Naast het vermogen dat diende als onderpand (...) werd een ander deel van het totale vermogen (...) ondergebracht bij B in de vorm van deposito's. Op deze wijze kwam ook dit (blz. 4) vermogen ten goede aan de aktiviteiten van B in de vorm van een verhoogde solvabiliteit. (...)" 2.2. De inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen P (hierna te noemen de Inspecteur) betoogde in zijn vertoogschrift : "(blz. 1) (...) Feitelijk heeft belanghebbende - die geen personeel in dienst heeft - gedurende het jaar 1987 niets anders gedaan dan het beheren van [de] activa. (...) (blz. 2) (...) 2. (...) Indien een belastingplichtige als feitelijke werkzaamheid "het aanhouden van deposito's, schatkistpapier en banktegoeden" heeft en, zonder personeel in dienst te hebben, verder ook niets onderneemt, is er van het drijven van een onderneming geen sprake. Als een activiteit als de bovenstaande er niet toe leidt dat van beleggen gesproken kan worden, dan zie ik niet welke activiteit dat wel zal kunnen doen. (...) (blz. 3) (...) Dat belanghebbende als verlengstuk van B een onderneming zou drijven (...), bestrijd ik (...) Belanghebbende belegt en daarnaast staat zij als het ware tot op zekere hoogte borg voor haar ondernemende moedermaatschappij. Dat maakt haar nog geen onderneming. Indien een directeur/grootaandeelhouder, niet zijnde een ondernemer, in privé borg staat voor de verplichtingen van zijn BV, [maakt] De borgstelling op zich (...) hem niet tot ondernemer. (...) 3. (...) In X worden de liquide middelen (...) aangehouden enkel en alleen ten dienste van (de onderneming van) de aandeelhouder. Dergelijke beleggingen verschillen in wezen niet van liquiditeiten die de aandeelhouder in zijn BV houdt maar die zonder bezwaar als dividend zouden kunnen worden uitgekeerd: zij staan niet ten dienste van de onderneming van de BV, hoogstens ten dienste van (die van) de aandeelhouder. (...) Als deze activiteit van belanghebbende al als "ondernemen" moet worden aangemerkt, dan moet toch worden erkend dat belanghebbende haar ondernemersdoel optimaal nastreeft of in elk geval niet frustreert door haar vermogen geheel aan haar aandeelhouder uit te keren. Niets belet haar dit te doen. DNB die een deel van het schatkistpapier in onderpand heeft, weet niet eens dat B de waardepapieren heeft ondergebracht in belanghebbende: als toezichthouder bekijkt zij B immers geconsolideerd. Bezittingen die zonder bezwaar ten titel van dividend aan de aandeelhouder kunnen worden uitgekeerd zijn "bezittingen die niet dienstbaar zijn aan de onderneming". (...) (blz. 4) (...) Als B de beleggingen die via belanghebbende worden gehouden, rechtstreeks had gehouden, dan was de bank niet met een korting op haar vermogensaftrek geconfronteerd. (...)" 2.3. De Conclusie van repliek hield in: "(blz. 2) (...) Terech Ware het niet dat deelnemingen uit de grondslag voor de vermogensaftrek moeten worden geëlimineerd, dan had A over het in de dochter geïnvesteerde vermogen vermogensaftrek kunnen claimen. Of de deelneming zelve vermogensaftrek geniet is afhankelijk van de vraag of de deelneming een onderneming drijft en zo ja, of het karakter van haar activa zich verdraagt met de vermogensaftrek. De deelneming belegt in de risicomijdende sfeer. Anders kan ik het aanhouden van schatkistpapier, obligaties en deposito's toch niet noemen. Zij oefent het bankbedrijf niet uit (...), zij wordt aangehouden in het kader van het bankbedrijf. En dus dient haar (...) de vermogensaftrek te worden onthouden. Had de bank een groot deel van haar vermogen niet in haar dochtermaatschappij ondergebracht, dan was er geen vuiltje aan de lucht geweest. (...)" 3. Vennootschapsbelastingrechtelijke aspecten van concerns. 3.1. HR 8 mei 1957, nr. 12.931, BNB 1957/208 met noot M. J. H. Smeets, overwoog, "(blz. 537, van regel 56 af) dat (...) het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 in beginsel niet bedoelt moeder en dochtermaatschappijen als één geheel in de belasting te betrekken, doch er van uitgaat dat een moedermaatschappij en haar (blz. 538, tot en met regel 19) - juridisch zelfstandige - dochterondernemingen op zichzelf staande lichamen vormen, die elk afzonderlijk subjectief belastingplichtig zijn (...); dat dan ook, tenzij (...) art. 27 [Besluit op de Winstbelasting 1940] is toegepast, voor de heffing der belasting de bijzondere verhouding tussen een moedermaatschappij en haar dochterondernemingen betekenis mist, zodat, indien bij de winstberekening van de moedermaatschappij transacties met dochterondernemingen een rol spelen, deze als transacties met derden moeten worden bezien (...)" 3.2.1. Hof Z 1 februari 1973, te kennen uit HR 7 november 1973, nr. 17.182, BNB 1974/2 met noot H. J. Hofstra, overwoog (blz. 12, regels 55-57), "(...) dat belanghebbende, die houdster is van (...) twee aandelenpakketten in Duitse vennootschappen, geen bedrijf uitoefent en zich niet bezig houdt met de bedrijfsleiding of directievoering van die vennootschappen (...)" 3.2.2. Uw Raad overwoog (blz. 15, regels 48-55), "(...) dat een (...) aandelenpakket als belegging moet worden beschouwd, indien de belastingplichtige die de aandelen bezit, zelf geen bedrijf uitoefent, omdat alsdan geen sprake kan zijn van een verband tussen de bedrijfsuitoefening van het ene lichaam en van het andere (...); dat het Hof, nu vaststaat dat belanghebbende geen bedrijf uitoefent, derhalve terecht heeft aangenomen, dat de onderhavige aandelenpakketten een belegging (...) vormen (...)" 3.3. Naar ik in de bijlage bij mijn conclusie voor HR 23 mei 1979, nr. 19.077, BNB 1979/182, betoogde, "(blz. 932, van regel 38 af) (...) zal "een wezenlijke functie ... ten dienste van de bedrijfsuitoefening van (een) concern ... aan de top" in de regel en "als tussenschakel" altijd uitsluitend door een lichaam vervuld kunnen worden. En zo zal ook de functie van (...) "De houdstermaatschappij als beschermingsvorm" niet op dezelfde wijze als door een lichaam door een natuurlijke persoon vervuld kunnen worden. Schrijft men aan dergelijke lichamen een onderneming toe, dan geschiedt dat niet (althans niet in de voornaamste plaats) op grond van hun arbeidsprestaties, maar op grond van hun oogmerk de ondernemingen van andere (weliswaar tot het zelfde concern behorende, maar toch naar vennootschapsrecht onderscheiden) lichamen (beter) te doen drijven. Strikt genomen, kan men de activiteit van de (top-, tussen- of beschermings-)houdstermaatschappij, op zich zelf dus los van haar dochtermaatschappijen beschouwd, bezwaarlijk als een onderneming in bedrijfseconomische zin aanmerken, maar tot de kwalificatie als onderneming komt men dan toch door tot op zekere hoogte door de vennootschapsrechtelijke scheiding heen te zien. De (...) gedachtengang laat zien, dat de toepassing van het ene en gelijke begrip "onderneming" op sommige lic Na verwijzing en herhaald beroep in cassatie overwoog HR 18 maart 1992, nr. 27.121, met conclusie van Verburg, BNB 1992/195 met noot Den Boer (onder 4.5), "(blz. 1278, van regel 56 af) (...) dat in 's Hofs oordeel, volgens hetwelk [niet] belanghebbende de aandelen A na medio 1980 als belegging aanhield, besloten ligt dat (blz. 1279, tot en met regel 4) zich naar 's Hofs oordeel geen omstandigheden hebben voorgedaan, op grond waarvan moet worden aangenomen dat na medio 1980 belanghebbende de aandelen A nog slechts aanhield ter verkrijging van de waardestijging en het rendement, die daarvan bij normaal vermogensbeheer kunnen worden verwacht. Dit oordeel is van feitelijke aard (...)" 3.5. HR 8 november 1989, nr. 25.257, met conclusie van Verburg, BNB 1990/73 met noot G. Slot , betrof (onder 4) "(blz. 630, van regel 33 af) (...) de vraag of belanghebbende, die een 100 procent belang had in C BV, D BV en E BV, en wier aandeelhouder B voor 50 procent een middellijk belang had in de werkmaatschappijen F BV en G BV, als een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 kan worden aangemerkt, dan wel dient te worden beschouwd als een houdstermaatschappij wier feitelijke werkzaamheid niet is beleggen van vermogen (...) Het Hof heeft deze vraag beantwoord in eerstbedoelde zin en daartoe bepalend geacht of belanghebbende (...) al dan niet een wezenlijke functie vervulde ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep waarvan C BV, D BV en zijzelf deel uitmaakten. Daarmee heeft het Hof in zoverre een onjuiste maatstaf aangelegd, dat het ontbreken van een zodanige "wezenlijke functie" niet onder alle omstandigheden de gevolgtrekking rechtvaardigt dat sprake is van een beleggingsinstelling in vorenbedoelde zin. (...) Van beleggen is (...) sprake, indien het (blz. 631, tot en met regel 10) bezit van aandelen in een werkmaatschappij slechts is gericht op het verkrijgen van de waardestijging en het rendement daarvan die bij normaal vermogensbeheer kunnen worden verwacht. Uit een en ander volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven (...) Verwijzing moet volgen met name voor een onderzoek van de stelling (...) dat sprake was van actieve betrokkenheid van belanghebbende - door tussenkomst van haar beide dochtermaatschappijen - bij de ondernemingen van de werkmaatschappijen F BV en G BV onder meer doordat zij die ondernemingen voor een aanzienlijk bedrag liet financieren met rekening-courant-crediet hetgeen risico's meebracht die een particuliere belegger niet zou aanvaarden." 3.6. Bij de voorbereiding van de Wet van 25 april 1990, Stb. 173, tot herziening van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting, werd opgemerkt (Memorie van antwoord, Bijlagen Handelingen Eerste Kamer, 1989-1990 - 19.968, nr. 41c, blz. 6; ik nummer de alinea's zonder de opschriften afzonderlijk te tellen), "(2e al.) (...) dat voor de beoordeling of op grond van artikel 13, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 sprake is van een deelneming niet uitsluitend moet worden gelet op de functie van de buitenlandse dochter. (3e al.) Ook de functie van de Nederlandse moeder moet in de beschouwing worden betrokken. Wanneer de Nederlandse moedermaatschappij optreedt als houdstermaatschappij, hetgeen onder meer kan blijken uit haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend en/of financieel terrein, zal deze Nederlandse moedermaatschappij deelnemingsvrijstelling genieten op voordelen uit de desbetreffende buitenlandse dochters. Dit is anders indien het gaat om belangen in buitenlandse dochters die direct of indirect als beleggingsmaatschappij fungeren. In laatstbedoelde situaties waarin aandelen ter belegging worden aangehouden, zal de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing zijn." 4. Art. 29a Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964). 4.1. In art. 29a Wet IB 1964, tekst zoals gewijzigd bij Wet van 21 juni 1980, Stb. 334, komt de zinsnede: dat "(...) de feitelijke werkzaamheden (...) aa 59 ). In dezen moge ook worden verwezen naar hetgeen destijds is medegedeeld in paragraaf 5 van de Leidraad bij het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1941 (lees: 1942, v.S.), inzonderheid op het vierde lid daarvan. (blz. 14, 1e al.) Zodra (...) het grensgebied tussen beide begrippen wordt betreden, wordt het antwoord op de vraag, of van de ene activiteit dan wel van de andere sprake is afhankelijk van de interpretatie van de relevante feiten. (...)" 5. Uitsluiting van beleggingen van de vermogensaftrek. 5.1. Art. 8 Wet Vpb. 1969, tekst geldend voor 1987, houdt in: "1. De winst wordt (...) bepaald op de voet van [artikel] 14a (...) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (...) 2. (2e volzin) Artikel 14a van laatstgenoemde wet vindt (...) geen toepassing ten aanzien van: (...) b. lichamen welker feitelijke werkzaamheid bestaat in het (...) beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid; (...) 3. Voor de toepassing van artikel 14a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964: a. blijven buiten aanmerking: (...) 4o. (...) waardepapieren, vorderingen en liquide middelen, voor zover die bezittingen niet dienstbaar zijn aan een door de belastingplichtige gedreven onderneming, indien de bezittingen van die belastingplichtige in belangrijke mate bestaan uit zodanige bezittingen; (...) 4. Onze Minister kan bepalen dat het tweede lid, tweede volzin, letter b, en het derde lid, letter a, onder 4o, geheel of gedeeltelijk geen toepassing vinden. (...)" 5.2. De geciteerde passages zijn grotendeels afkomstig uit de Wet van 1 mei 1986, Stb. 247. 5.3. In het oorspronkelijke Voorstel van wet d. d. 6 september 1985, Tweede Kamer, 1984-1985 - 19.143, nr. 2, luidde de zinsnede "waardepapieren, vorderingen en liquide middelen, voor zover die bezittingen" in art. 8, lid 3, letter a, onder 4, Wet Vpb. 1969: "bezittingen die". 5.4. Ter toelichting van een en ander werd betoogd (Memorie van toelichting, nr. 3), "(blz. 6, 3e al. v. o.) (...) dat het genieten van de vermogensaftrek, die beoogt op globale wijze de door inflatie veroorzaakte schijnwinstelementen uit het ondernemingsresultaat te verwijderen, voor (...) gevallen, waarin het in de [NV-vorm] gestoken vermogen in wezen privé-vermogen is, als oneigenlijk moet worden gekenschetst. In dit verband zij erop gewezen dat de wetgever ter zake van inflatie op het gebied van inkomsten uit privé-vermogen uitdrukkelijk heeft willen volstaan met de totstandbrenging van de rentevrijstelling. Het strookt dan ook niet met de bedoeling van de wetgever dat particuliere vermogensbezitters zich niettemin via de hiervoor omschreven weg toegang verschaffen tot de vermogensaftrek. (...) (2e al. v. o.) (...) Ons voorstel houdt in (...) dat in beginsel geen vermogensaftrek kan worden genoten voor vermogensbestanddelen - ondergebracht in lichamen die zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting - die in wezen privé-beleggingen zijn. (laatste al.) (...) een overeenkomstige situatie kan bestaan bij lichamen (...) die weliswaar een onderneming in materiële zin (...) drijven (blz. 7, 1e al.) - of hebben gedreven - doch waarin zich in de loop van de tijd, door winstinhouding, een steeds grotere spaarpot (ook wel aangeduid als geldzaksector) is gaan aftekenen. (2e al.) Deze spaarpot bevat allerlei middelen die duurzaam overtollig zijn geworden met betrekking tot enigerlei ondernemingsactiviteit en uit dien hoofde zonder enig bezwaar terstond aan de aandeelhouders zouden kunnen worden uitgedeeld. Die middelen staan hen derhalve in wezen ter beschikking om in privé te beleggen. De aandeelhouders geven er echter bewust de voorkeur aan - en daarbij zullen fiscale motieven een belangrijke rol spelen - de desbetreffende middelen in de vennootschap in kwestie te laten renderen hetgeen mede inhoudt dat daarvoor ook aanspraak gemaakt kan worden op de vermogensaftrek. Dit, terwijl ook in een dergelijke situatie die spaarpot in feite het karakter van ondernemingsvermogen mist. (...) (3e al.) [Lid 2, letter b] ziet op lic Op haar balans (...) stond een vordering op haar dochtermaatschappij (...) (blz. 3166) (...) 6. Aangezien niet is komen vast te staan dat belanghebbende zich op enigerlei wijze daadwerkelijk heeft bezig gehouden met de bedrijfsvoering van D BV dient zij te worden aangemerkt als een lichaam wier feitelijke werkzaamheid bestaat in het (...) beleggen (...)" 5.10.1. Hof 's-Gravenhage 10 september 1991, nr. 1749/90-M-1, VN 23 januari 1992, blz. 212, punt 10 , overwoog (blz. 213), "(...) 6.3. (...) dat de feitelijke werkzaamheid van het aanhouden van het banktegoed beschouwd moet worden als het beleggen van vermogen. (...) 6.4. (...) de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de noodzaak tot het aanhouden der gelden hierin was gelegen, dat eventueel te honoreren claims van crediteuren van belanghebbende (...) daaruit zouden kunnen worden voldaan, kan in dit oordeel geen verandering brengen. Niet valt immers in te zien waarom in een dergelijk geval geen uitbetaling had kunnen geschieden door de - alle aandelen van belanghebbende bezittende - moedervennootschap. (...)" 5.10.2. VN annoteerde (ibid.): "(...) Het is niet goed te begrijpen dat men niet (...) elkaar heeft kunnen vinden (...)" 5.10.3. Rijkers annoteerde, "(...) dat ook voor kasgeldvennootschappen in het algemeen geen plaats zal zijn voor vermogensaftrek. (...)" 5.11. Hof 's-Hertogenbosch 25 maart 1992, nr. 3026/1990b, VN 17 december 1992, blz. 3753, punt 20, overwoog (blz. 3754), "(...) dat (...) bezittingen (...) dienstbaar zijn aan de onderneming als zij nodig zijn om schulden voortvloeiende uit de onderneming te voldoen. (...)" 5.12. Naar Hof Amsterdam 25 november 1992, nr. 91/2336, VN 28 april 1994, blz. 1399, punt 15, overwoog (onder 5.3, blz. 1400), "(...) heeft de activiteit van belanghebbende in 1987 bestaan uit het ontvangen van rente en aflossing op haar rekening-courantvordering ten laste van X Beheer BV en uit het betalen van rente en aflossing op haar schuld aan de echtgenote van de enig aandeelhouder. Deze activiteit omvat (...) niet een zodanige betrokkenheid van belanghebbende bij de directe of indirecte financiering van een of meer werkmaatschappijen van het concern, dat belanghebbende daarmee buiten de sfeer van beleggen van vermogen of een daarmee overeenkomende werkzaamheid is getreden. Evenmin is gebleken dat het risico dat belanghebbende met het verstrekken van de gelden in rekening-courant op zich heeft genomen, de grenzen overschrijdt van hetgeen een particuliere vermogensbelegger in vergelijkbare omstandigheden pleegt te aanvaarden." 5.13. Hof Amsterdam 25 juni 1993, nr. 92/2200, VN 4 november 1993, blz. 3354, punt 26, overwoog (blz. 3356): "(...) 5.2.2. Van beleggen is sprake indien het houden van de participaties door belanghebbende slechts zou zijn gericht op het verkrijgen van de waardestijging en het rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. (...) 5.2.4. (...) belanghebbende [heeft] een actief beleid (...) gevoerd met betrekking tot het verwerven van de participaties. (...) belanghebbende [heeft] ernaar (...) gestreefd de erkenning als participatiemaatschappij door DNB te behouden. (...) het Hof acht aannemelijk dat W, directeur van belanghebbende, als commissaris bij de participaties was betrokken dan wel zich namens belanghebbende als aandeelhoudster actief bezig hield met het bedrijfsbeleid van de ondernemingen waarin werd geparticipeerd. 5.2.5. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof tot het oordeel dat de feitelijke werkzaamheid van belanghebbende binnen het A-concern meer omvatte dan enkel het beleggen van vermogen (...)" 6. Ondernemingsvrijstelling. 6.1. Naar art. 7, lid 3, Wet op de vermogensbelasting 1964, tekst geldend voor 1987, inhoudt: "(...) wordt (...) als in een onderneming belegd vermogen aangemerkt een vermogen dat betrekking heeft op: (...) c. aandelen die (...) behoren tot een aanmerkelijk belang (...) in een (...) vennootschap, niet zijnde een (...) lichaam als bedoeld in artikel 8, tweede