Rechtspraak Hoge Raad 1995-06-28
ECLI:NL:HR:1995:AA1627
gewezen op het beroep in cassatie van het Hoofd van de Hoofdafdeling Middelen van de Gemeente Gennep tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 november 1993 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag bouwgrondbelasting van de gemeente Gennep. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is, als genothebbende krachtens zakelijk recht van de onroerende zaak b-straat 1 te Z een aanslag bouwgrondbelasting van de gemeente Gennep opgelegd ten bedrage van ƒ 34.578,--. De aanslag is na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling Financiën van de Gemeente Gennep, ingevolge een subsidiair door belanghebbende gedaan verzoek de belasting niet te heffen in de vorm van een heffing ineens maar in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende 10 jaren verminderd tot een aanslag ten bedrage van afgerond ƒ 5.153,--. Belanghebbende is van de uitspraak van voormeld Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Het Hoofd van de Hoofdafdeling Middelen (hierna: het Hoofd) heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt hiervan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. Het Hoofd heeft de zaak doen toelichten door mr. J.H. Sassen, advocaat te Arnhem. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De aan belanghebbende opgelegde aanslag bouwgrondbelasting berust op een verordening met de citeertitel "Bouwgrondbelasting D" (hierna: de Verordening). De Verordening is, na op 17 november 1987 te zijn gewijzigd, bij Koninklijk Besluit van 7 juli 1988 goedgekeurd en luidt, voor zover thans van belang: Artikel 1. Voorwerp van de belasting. 1. Onder de naam "Bouwgrondbelasting bestemmingsplan A" wordt, in de vorm van een heffing ineens, een belasting geheven van de op de bij deze verordening behorende en gewaarmerkte kaart met rood omlijnde onroerende goederen, welke geschikt of beter geschikt voor bebouwing worden dan wel zijn geworden of in een voordeliger positie komen dan wel zijn komen te verkeren door voorzieningen van openbaar nut welke door of met medewerking van de gemeente worden of zijn getroffen ten behoeve van het bestemmingsplan "A". Het in dit artikel genoemde bestemmingsplan "A" is vastgesteld op 3 oktober 1983. 3.2. Het Hof heeft in zijn rechtsoverwegingen 4 tot en met 7 in onderlinge samenhang bezien geoordeeld dat de Verordening strijdig met artikel 274, eerste lid, van de Gemeentewet en derhalve onverbindend is indien en voorzover daarbij kosten worden omgeslagen welke zijn verbonden aan voorzieningen getroffen ter uitvoering van de, op hetzelfde plangebied betrekking hebbende onderscheidenlijk uit 1967 en 1976 daterende, bestemmingsplannen "B" en "D". Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd, dat in Artikel 1 van de Verordening onder "voorzieningen van openbaar nut welke door of met medewerking van de gemeente worden of zijn getroffen ten behoeve van het bestemmingsplan "A"" niet mede te verstaan zijn voorzieningen getroffen ter uitvoering van genoemde eerdere bestemmingsplannen. Dit laatste wordt in middel I onder meer als onjuist bestreden. 3.3. Op de voet van artikel 274, eerste lid, van de Gemeentewet te heffen bouwgrondbelasting strekt tot verhaal van kosten die zijn verbonden aan door of met medewerking van het gemeentebestuur getroffen voorzieningen van openbaar nut waardoor onroerende zaken geschikt of beter geschikt zijn geworden voor bebouwing of in een voordeliger positie zijn komen te verkeren. 3.4. In het licht van deze strekking van bouwgrondbelasting is niet voor misverstand vatbaar dat indien ter aanduiding van de hier bedoelde voorzieningen in de desbetreffende verordening is vermeld dat deze worden of zijn getroffen ten behoeve van een met name in de verordening genoemd b