Rechtspraak Hoge Raad 1995-06-28
ECLI:NL:HR:1995:AA1622
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 april 1994 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., thans genaamd A B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1990 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 29.963,-- aan enkelvoudige belasting en premie volksverzekeringen, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 14.038,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende betaalt haar werknemers die hun privé-auto voor dienstreizen gebruiken, een vergoeding van 44 cent per kilometer. Daarnaast worden bij buitenlandse dienstreizen door belanghebbende vergoed de kosten gemaakt voor het parkeren van de auto bij Schiphol en tolgelden op autowegen in het buitenland. Voor de betaling kunnen de werknemers gebruik maken van de hun door belanghebbende verstrekte kredietkaarten of worden hun voorschotten tot betaling van die kosten verstrekt. De Staatssecretaris van Financiën heeft de volgende mededeling gedaan (3 mei 1991, DB 90/6521, Infobulletin 1991/320): "In art. 18 Uit. reg. LB 1990 is bepaald dat het bedrag van de kosten die verband houden met het vervoer per auto bedoeld in art. 15, tweede lid, onderdeel c, Wet LB 1964, wordt gesteld op ƒ 0,44 per km. Mij zijn de volgende vragen gesteld: - Mag, bij reizen waarop het reiskostenforfait niet van toepassing is, naast de vergoeding van ƒ 0,44 ook een onbelaste vergoeding voor parkeer-, tol- en veergelden worden verstrekt? - Zijn deze kosten voor de werknemers te beschouwen als aftrekbare kosten? Ik heb hierop het volgende geantwoord. Op grond van art. 18 Uitv.reg. LB 1990 wordt het bedrag van de kosten die verband houden met het vervoer per auto bedoeld in art. 15, tweede lid, onderdeel c, Wet LB 1964, gesteld op een normbedrag van ƒ 0,44 per km. Onder deze beperking vallen alle kosten die "verband houden met" vervoer per auto. Tijdens de parlementaire behandeling is uitdrukkelijk medegedeeld dat het bedrag van ƒ 0,44 per km mede bestrijkt de kosten van bijvoorbeeld stalling (garage) en van het transport van de auto door een ander vervoermiddel zoals een veerboot; MvT Wet van 27 april 1989, Stb. 123, Kamerstuk 20 873, nr. 3 blz. 30. Ook parkeer- en tolgelden behoren naar mijn mening tot die kosten. Wel tellen, ten aanzien van de veergelden, de vaarkilometers mee als afgelegde afstand zodat ook voor de vaarkilometers ƒ 0,44 belastingvrij gegeven kan worden. Aan een forfaitaire regeling als deze is onverbrekelijk verbonden dat de werkelijke kosten belangrijk kunnen verschillen met de norm (i.c. het normbedrag van ƒ 0,44 per km). Dit gevolg is beoogd en voorzien. Tijdens de parlementaire behandeling van de voorstellen van de Commissie-Oort is dan ook geen grensbedrag voor parkeer-, tol en veergelden genoemd waarover lb/premie volksverzekeringen verschuldigd is. Ook voor de inkomstenbelasting geldt dat het bedrag van de kosten voor vervoer per auto als bedoeld in art. 8b, tweede lid, onderdeel b en 36, tweede lid, onderdeel c Wet IB 1964 wordt gesteld op een normbedrag van ƒ 0,44 per km. Voor de volledigheid wijs ik u nog op het volgende. Indien een werkgever parkeer-,