Rechtspraak Hoge Raad 1995-04-26
ECLI:NL:HR:1995:AA1596
gewezen op het beroep in cassatie van de naamloze vennootschap X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 april 1992 betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag tot naheffing van kapitaalsbelasting. 1. Naheffingsaanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van het bijeenbrengen van in aandelen verdeeld kapitaal een naheffingsaanslag in de kapitaalsbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 40.082,--, zonder verhoging. Belanghebbende is tegen deze aanslag met toestemming van de Inspecteur rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de aanslag gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 1 maart 1994 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en aanhouding van de zaak totdat op die vragen is beslist. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft in het kader van een in 1991 totstandgekomen fusie aan houders van aandelen Y N.V. het aanbod gedaan hun aandelen om te wisselen in aandelen in belanghebbende, aldus dat tegenover één aandeel Y werd verkregen, ter keuze van de aandeelhouder, hetzij 1,15 aandeel van nominaal ƒ 2,50 in belanghebbende en een warrant, hetzij één aandeel van nominaal ƒ 2,50 in belanghebbende, een warrant en een toebetaling van ƒ 6,50 in contanten. Van de eerstbedoelde mogelijkheid maakte 76,13 percent van de aandeelhouders van Y gebruik, van de laatstbedoelde mogelijkheid 23,5 percent. Aldus gaf belanghebbende in totaal 111.050 aandelen uit, met een gezamenlijke nominale waarde van ƒ 277.624,--. Aan de aandeelhouders die gebruik maakten van de mogelijkheid tot omwisseling met een toebetaling in contanten werd in totaal ƒ 152.750,-- uitbetaald, derhalve meer dan tien percent van ƒ 277.624,--. Belanghebbende heeft ter zake van dit bijeenbrengen van kapitaal alleen aangifte gedaan en kapitaalsbelasting afgedragen voor wat betreft de aandelen welke zijn uitgegeven in verband met het gebruik dat is gemaakt van de mogelijkheid tot omwisseling met toebetaling in contanten. De naheffingsaanslag heeft uitsluitend betrekking op hetgeen belanghebbende heeft verworven in verband met het gebruik dat is gemaakt van de andere mogelijkheid. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat nu het hier één omwisselingsoperatie betreft het toebetaalde bedrag in contanten moet worden toegerekend aan alle in het kader van die operatie door belanghebbende verworven aandelen Y, waarmede het Hof kennelijk bedoelt dat dit bedrag moet worden toegerekend aan alle in het kader van die operatie door belanghebbende toegekende aandelen. Tegen dit oordeel is het middel gericht. 3.3. Indien een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal in het kader van een fusie een (omwisselings)aanbod doet aan de houders van aandelen in een ander zodanig lichaam, erop gericht die aandelen te verwerven tegen uitgifte van eigen aandelen, vormt, zowel indien het een aanbod betreft met een toebetaling in contanten als wanneer het een aanbod betreft zonder toebetaling, al hetgeen door dat overnemende lichaam wordt verkregen doordat aandeelhouders in het andere lichaam van dit bod gebruik maken, één bijeenbrengen van kapitaal in de zin van de artikelen 32, lid 1, en 37, lid 1,van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet). 3.4. Dit is niet anders indien het bod aan de aandeelhouders in het over te nemen lichaam de keuze laat tussen omwisseling van hun aandelen tegen uitsluitend aandelen, dan wel tegen aandelen en een toebetaling in contanten van meer dan 10 percent van de nominale waarde van toegekende aandelen. De opvatting dat in dat geva In de considerans van de Richtlijn van 10 juni 1985 is onder meer het volgende vermeld: "Overwegende dat het kapitaalrecht hergroepering en ontwikkeling van ondernemingen een ongunstige economische weerslag heeft; dat dit in het bijzonder in de huidige conjunctuurfase het geval is, in welke fase het beslist noodzakelijk is prioriteit te geven aan een heropleving van de investeringen; Overwegende dat met afschaffing van het kapitaalrecht die doeleinden het best worden gediend; dat het verlies aan ontvangsten als gevolg van een dergelijke maatregel voor enige Lid-Staten evenwel onaanvaardbaar blijkt te zijn; dat de Lid-Staten derhalve de mogelijkheid moet worden gelaten om alle of een gedeelte van de verrichtingen die binnen het toepassingsgebied van het kapitaalrecht vallen, van dit recht vrij te stellen dan wel daaraan te onderwerpen, met dien verstande dat in een zelfde Lid-Staat één enkel belastingtarief moet gelden; Overwegende dat dient te worden voorzien in de verplichte vrijstelling van de thans onder het verlaagde tarief van het kapitaalrecht vallende verrichtingen". 3.9. Gelet op de tekst van artikel 7, lid 2, van de Richtlijn en het onder 3.8 vermelde gedeelte van de considerans van de Richtlijn van 10 juni 1985 kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat sinds de wijziging bij laatstvermelde Richtlijn, de Richtlijn aan de Lid-Staten de vrijheid laat naar eigen inzicht meer of ruimere vrijstellingen van het kapitaalrecht te hanteren dan waartoe de Richtlijn verplicht. Derhalve kan de door de Hoge Raad aan artikel 37, leden 2 en 3, van de Wet gegeven uitleg, ook al zou die ruimer zijn dan de Raad van de Europese Gemeenschappen met het destijds geldende artikel 7, lid 1, letter b bis, voor ogen stond, niet in strijd komen met het Europese Gemeenschapsrecht en bestaat geen grond op dit punt prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. 3.10. Het vorenoverwogene brengt mede dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven en dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. 4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald. 5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de naheffingsaanslag, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 75,--, derhalve in totaal ƒ 375,-- en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, in raadkamer van 26 april 1995.Nr. 28.976 Mr. Moltmaker Derde kamer B Conclusie inzake Kapitaalsbelasting 1991 X N.V. tegen Parket, 1 maart 1994 DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN Edelhoogachtbaar College, 1 Feiten en geschil 1.1In de periode maart/april 1991 heeft X N.V. ruim 95% van de (certificaten van) aandelen Y N.V. verworven. 1.2 X had aan de aandeelhouders Y het volgende alternatieve aanbod gedaan: a. één aandeel Y van nominaal ƒ 2,50 wordt geruild tegen 1,15 gewoon aandeel van nominaal ƒ 2,50 alsmede een warrant X, zonder bijbetaling. b. één aandeel Y van nominaal ƒ 2,50 wordt geruild tegen een gewoon aandeel van nominaal ƒ 2,50 alsmede een warrant X, met een bijbetaling door X van ƒ 6,50 in contanten; 1.3 In totaal werden 99.630 aandelen Y aangemeld, d. Naar het oordeel van het Hof moet, nu het hier één omwisselingsoperatie betreft, voormelde toerekening plaatsvinden aan alle in het kader van die operatie door belanghebbende verworven aandelen Y N.V. Bij dat oordeel is niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden gehandhaafd." 1.7 Opgemerkt kan worden, dat het hier niet zozeer gaat om toerekening van de contanten aan de door X verworven aandelen, waarvan het hof in rov. 5.4 en 5.5 spreekt, als wel om toerekening aan de door X uitgegeven aandelen, maar aan de essentie van 's hofs uitspraak doet dat niet af. 1.8 Tegen de beslissing van het hof heeft X beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van een cassatiemiddel, waarin wordt betoogd, dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de toerekening van de toebetaling moet plaatsvinden aan alle in het kader van de omwisselingsoperatie door X verworven (lees: uitgegeven) aandelen. Tevens betoogt het middel dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, nu niet beslissend is of er van één omwisselingsoperatie sprake is, doch of er één of meer transacties zijn in de zin van de Richtlijn van 17 juli 1969, nr. 69/335/EEG. 1.9 De staatssecretaris heeft een vertoogschrift in cassatie ingediend. 1.10 De uitspraak van het hof is vermeld in V-N 1992, blz. 1724, FBN 1992/76 en Infobulletin 1992/698. 2 De Richtlijnen en art. 37 WBR 2.1 Art. 7, lid 1, van de Richtlijn van 7 juli 1969, nr. 69/335/EEG (Pb. L 249 van 3.10.1969, blz. 25), luidt voor zover hier van belang: "Tot aan de inwerkingtreding van de overeenkomstig lid 2 door de Raad vast te stellen bepalingen: a) mag het tarief van het kapitaalrecht niet hoger zijn dan 2 %, en niet lager zijn dan 1 %; b) wordt dit tarief met 50 % of meer verlaagd wanneer een of meer kapitaalvennootschappen hun gehele vermogen of een of meer takken van bedrijvigheid inbrengen in een of meer kapitaalvennootschappen die in oprichting zijn of reeds bestonden. Deze verlaging is onderworpen aan de volgende voorwaarden: - de inbreng wordt uitsluitend vergoed door toekenning van aandelen, waarbij de Lidstaten de bevoegdheid hebben de verlaging ook toe te kennen in die gevallen waarin de inbreng wordt vergoed door toekenning van aandelen, plus een storting in contanten van maximaal 10 % van hun nominale waarde, ... enz." 2.2 De Richtlijn van 9 april 1973, nr. 73/79/EEG (Pb. L 103 van 18.4.1973, blz. 13) heeft art. 7, lid 1 van bovengenoemde Richtlijn aangevuld met een onderdeel b bis, dat voor zover hier van belang luidt: "het tarief van het kapitaalrecht kan worden verlaagd met 50 % of meer wanneer een in oprichting zijnde of reeds bestaande kapitaalvennootschap aandelen verwerft die ten minste 75 % van het voordien uitgegeven vennootschappelijk kapitaal van een andere kapitaalvennootschap vertegenwoordigen. Wordt dit percentage bereikt ingevolge verscheidene transacties, dan geldt het verlaagde tarief slechts voor de transactie waarbij dit percentage wordt bereikt en voor de daarnavolgende transacties waarbij dit percentage wordt verhoogd. ... Deze verlaging is onderworpen aan de volgende voorwaarden: - de inbreng wordt uitsluitend vergoed door toekenning van aandelen, waarbij de LidStaten de bevoegdheid hebben de verlaging ook toe te kennen in die gevallen waarin de inbreng wordt vergoed door toekenning van aandelen, gecombineerd met een storting in contanten van ten hoogste 10 % van hun nominale waarde, ... enz." 2.3 Bij de Richtlijn van 9 april 1973, nr. 73/80/EEG (Pb. L 103 van 18.4.1973, blz. 15) werd het tarief vermeld in art. 7 van de Richtlijn van 7 juli 1969 met ingang van 1 januari 1976 op 1% gesteld, terwijl de verlaagde tarieven van art. 7, lid 1, sub b en sub b bis, op 0% tot 0,50% werden gesteld. 2.4 Volledigheidshalve vermeld ik nog de Richtlijn van 7 november 1974, nr. 74/553/EEG (Pb. L 303 van 13.11.1974, blz. 9), waarbij art. 5 van de Richtlijn van 1969 werd gewijzigd. In de considerans van deze (wijzigings)Richtlijn wordt gezegd, dat de aan het kapitaalrecht ten grondsl 3 De warrant 3.1 De warrant in het algemeen 3.1.1 In het algemeen (er zijn bijzondere soorten warrants) is een warrant een ter beurze verhandelbaar waardepapier, waarin het (optie)recht is belichaamd om gedurende een bepaalde periode een bepaald aantal aandelen van het emitterende lichaam tegen een vooraf vastgestelde koers te kopen. 3.1.2 Een lichaam kan een warrant uitgeven geheel los van enige emissie van aandelen of obligaties. Zo maakt F. M. Tempelaar, ESB 1987, blz. 272/273, melding van een op zichzelf staande uitgifte van warrants in 1986 door Akzo ten behoeve van de eigenvermogen financiering. Hij zegt: "Er vond een succesvolle emissie plaats van 1.999.681 warrants tegen de prijs van f. 48; iedere warrant geeft tot het einde van september 1991 recht op de koop van één aandeel Akzo tegen een uitoefenprijs van f. 120. Aldus beoogt Akzo uiteindelijk (bruto) ongeveer f. 336 mln. aan eigen vermogen aan te trekken, waarvan bijna f. 96 mln. reeds in 1986 is ontvangen. Dus ook al zouden de warrants onverhoopt niet worden uitgeoefend, dan is er niettemin sprake van een financieringsopbrengst in de vorm van eigen vermogen...... Met deze toepassing van de warrant als een zelfstandig instrument is duidelijk de financieringsfunctie ervan bevestigd: via de uitgifte van warrants trekt een onderneming in principe eigen vermogen aan." 3.1.3 In de regel wordt de uitgifte van warrants gekoppeld aan de uitgifte van obligaties, die dan een lagere rente geven dan de marktrente . In verband hiermee wordt wel aangenomen, dat de warrant het karakter heeft van vooruitbetaalde rente. Ik laat in het midden of c.q. in welke gevallen dit juist is en merk slechts op, dat de waarde van een warrant wordt bepaald door de zgn. intrinsieke waarde (het verschil tussen de beurskoers van de aandelen ten tijde van de uitgifte van de warrant en de uitoefenprijs van de warrant) en de verwachtingswaarde (de verwachting dat binnen de uitoefeningsperiode de beurskoers van de aandelen zal stijgen). De vraag of de houder van een warrant die waarde dan wel meer of minder of wellicht in het geheel niets zal incasseren, hangt af van de koersontwikkeling van de aandelen van het uitgevende lichaam binnen de uitoefentermijn. 3.1.4 Mede in verband met de vorenomschreven opvatting over het karakter van de warrant (vooruitbetaalde rente) wordt verdedigd, dat de obligatie zonder de warrant onder art. 25a Wet op de inkomstenbelasting 1964 valt. Zie voor de discussie daarover MvA Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 20 648, nr. 6, blz. 9 e.v., de Nota n.a.v. het Eindverslag, stuk nr. 8 blz. 11 e.v., Nota n.a.v. het Verslag, Eerste Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 20 648, nr. 2e en de bijlagen bij die nota. Deze kwestie wordt aan het oordeel van Uw Raad onderworpen via beroepen in cassatie tegen de uitspraak van Hof Arnhem 9 juli 1993, nr. 91/2128, vermeld in V-N 1993, blz. 3524 onder 1.7 (zaaknr. 29.799) en de uitspraak van Hof 's-Hertogenbosch 11 oktober 1993, FED 1993/ 903 (zaaknr. 29.954). Wat er zij van deze discussie, voor het lichaam is de opbrengst m.i. eigen vermogen. Zie bijv. Th. S. IJsselmuiden, Rechtspersonen (losbladig) aant. 5.2 op art. 2:375 BW: "Hoe de warrantlening (het beeld van) het eigen vermogen kan verbeteren toont de wijze waarop Philips haar in 1983 en 1984 uitgegeven obligatieleningen met warrants verantwoordt (jaarrekening 1984, blz. 67 en 72): aan de rekening Agio is toegevoegd de marktwaarde van de warrants op het moment van uitgifte ... De obligatieleningen met warrants zijn opgenomen onder aftrek van disagio.... Als disagio is aangemerkt de marktwaarde der warrants op het moment van de uitgifte der lening. Dit disagio wordt gedurende de looptijd van de lening ten laste van de winst- en verliesrekening gebracht." 3.2 De onderhavige warrants 3.2.1 In het onderhavige geval is de warrant niet gekoppeld aan de uitgifte van obligaties, maar aan de uitgifte van aandelen; zie het in punt 1.2 hiervóór omschreven aanbod. In het fusiebericht d.d. 28 januari 1 Ook de uitoefening van de warrant leidt tot een definitieve vergroting van het vennootschapsvermogen. ... Zowel de warrantpremie als de storting van de uitoefenprijs vormen een verhaalsobject voor de crediteuren van de vennootschap. De warranttransacties voldoen aan de kenmerken van een fiscale kapitaalstorting. De warranttransacties spelen zich af in de kapitaalsfeer van de vennootschap." 3.2.7 J. H. M. Arts, Vennootschapsbelasting- en kapitaalsbelastingaspecten van warrants en personeelopties, Leids fiscaal jaarboek 1987, blz. 28, betoogt met betrekking tot de situatie dat de potentiële kopers van de warrants slechts bestaande aandeelhouders kunnen zijn: "Staat inschrijving slechts open voor aandeelhouders, dan is naar mijn mening over de inbreng wel kapitaalsbelasting verschuldigd. De inbreng kan nu immers slechts afkomstig zijn van aandeelhouders, zodat is voldaan aan het vereiste van art. 34 letter c, WBR (inmiddels vernummerd tot letter d, M.): het verkrijgen van kapitaal van een aandeelhouder zonder uitdrukkelijke toekenning van een aandeel in de winst of in het liquidatieoverschot van de vennootschap. Naar mijn mening is in dit geval doorslaggevend, dat het de kwaliteit van zittend aandeelhouder is die het hem mogelijk maakt om aan de warrantsemissie deel te nemen. Anders dan in het geval inschrijving voor iedere belegger openstaat, kan de warranthouder nu hoe dan ook zijn inbreng terugontvangen. De potentiële aandeelhouder is tevens al aandeelhouder. Buiten kijf is, dat heffing van kapitaalsbelasting mogelijk is ingeval van een voordeel in de vermogenssfeer . Dat is in casu het geval." 3.2.8 Gelet op het vorenstaande zou in het onderhavige geval ter zake van de inbreng van de aandelen Y, ook voor zover deze betrekking heeft op de uitgegeven warrants, m.i in beginsel kapitaalsbelasting verschuldigd zijn. Op grond daarvan zou naar mijn mening op grond van een redelijke wetstoepassing mogen worden aangenomen, dat de onderhavige warrants vallen onder het begrip aandelen van art. 37, lid 2, onder a, en lid 3, WBR. 3.2.9 Mocht Uw Raad evenwel in verband met het navolgende (zie punt 5.1 hierna) aanleiding vinden prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EG, dan geef ik in overweging ook de problematiek van de warrants in die vraagstelling te betrekken, omdat de door mij bepleite redelijke wetstoepassing niet zodanig evident is, dat voor wat betreft de formulering van art. 7 van de Richtlijn sprake is van een "acte clair". 4 Transactie in de zin van de Richtlijn 4.1 Ter aanduiding van hetgeen voor de heffing c.q. vrijstelling van kapitaalsbelasting in aanmerking komt, gebruikt de Richtlijn in het algemeen het woord "verrichting". Zie bijv. de art. 4 en 7. In het kader van een dergelijke verrichting vinden dan bepaalde rechtshandelingen plaats zoals inbreng. Art. 10 van de Richtlijn spreekt dan ook van "de inbreng.... verricht in het kader van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen". 4.2 In art. 7, lid 1, b bis, van de Richtlijn wordt evenwel het begrip "transacties" gebruikt: "Wordt dit percentage bereikt ingevolge verscheidene transacties, dan geldt het verlaagde tarief slechts voor de transactie waarbij dit percentage wordt bereikt.... enz." 4.3 Opmerkelijk is, dat in de Franse en in de Engelse tekst voor "verrichting" en "transactie" telkens hetzelfde woord wordt gebruikt, t.w. "l'opération" resp. "transaction". Het lijkt mij nauwelijks voor twijfel vatbaar, dat met de Nederlandse woorden "verrichting" en "transactie" hetzelfde wordt bedoeld, t.w. de "operatie" waarbij als gevolg van een bepaald aanbod aandelen worden geruild. Daarbij wordt niet elke afzonderlijke aandelenruil als een "transactie" beschouwd, maar alle ruilingen van aandelen die geacht kunnen worden in het kader van één bepaald aanbod tot stand te zijn gekomen (binnen een bepaalde, redelijke termijn na het aanbod). 4.4 Volledigheidshalve vermeld ik nog, dat in art. 4 van de OntwerpRichtlijn van 1969, 65/374/EEG (P.B. nr. 134 van 23.7. 1 blijkt, dat de overname voor 40% tegen aandelen en voor 35% tegen contanten is geschied." 4.7 Hiermee heb ik feite reeds aangegeven, dat het standpunt van X mij juist voorkomt. Anders dan X zou ik evenwel de transactie niet willen splitsen in twee afzonderlijke transacties, waarin de ene in de vrijstelling deelt en de andere niet. Zoals gezegd is er m.i sprake van één transactie (verrichting), maar ik zie niet in, waarom art. 7, lid 1, letter b bis, van de Richtlijn (en in het voetspoor daarvan art. 37 lid 3 WBR) niet zou toelaten, dat - mits in het kader van één en dezelfde transactie (verrichting) het overnemende lichaam tenminste 75 % van het kapitaal van het overgenomen lichaam verwerft - de vrijstelling geldt voor zover aandelen uitsluitend tegen aandelen worden geruild. Dit lijkt mij in overeenstemming met de strekking van genoemde bepalingen, zoals o.m. verwoord in de considerans van de Richtlijn van 1973 (73/80/EEG): "Overwegende, dat het in lid 1, bus b) en b bis), van genoemd artikel bedoelde verlaagde tarief, voor bepaalde verrichtingen tot hergroepering van vennootschappen op een voldoende laag niveau moet worden vastgesteld om een eventuele cumulatieve werking van het kapitaalrecht op te heffen; ....." 5 Prejudiciële vragen 5.1 Over mijn vorenomschreven opvatting is, zoals uit de onderhavige procedure blijkt, verschil van mening mogelijk. De Richtlijn is blijkbaar niet zo duidelijk, dat deze kwestie kan worden afgedaan zonder het stellen van prejudiciële vragen. Daarbij zou tevens de kwestie van het karakter van de warrants aan de orde kunnen worden gesteld (zie punt 3.2.9 hiervóór). 5.2 Ik doe hierbij een redactievoorstel voor de te stellen vragen, waarbij ik voor alle duidelijkheid, eventueel ook ter vermijding van verdere vraagstellingen in de toekomst, als uitgangspunt voor de vraagstelling heb genomen de situatie van een alternatief aanbod van (uitsluitend) aandelen of (uitsluitend) contanten. 5.3 De vraagstelling zou dan kunnen luiden: "Art. 7, lid 1, van de Richtlijn van 17 juli 1969, 69/335 EEG (Pb. nr. L 249 van 3.10.1969, blz. 25), zoals gewijzigd bij art. 1 van de Richtlijn van 10 juni 1985, 85/335/EEG (Pb. nr. L 156 van 15.6.1985, blz. 23) geeft een vrijstelling van kapitaalsbelasting voor de in dat artikel bedoelde verrichtingen. Blijkens de tweede volzin van genoemd artikel gelden voor deze vrijstelling dezelfde voorwaarden als die, welke op 1 juli 1984 golden voor de toekenning van de vrijstelling of het verlenen van een tarief van ten hoogste 0,50 %. De in het onderhavige geval van belang zijnde voorwaarde, luidt ingevolge het bij art. 1 van de Richtlijn van 9 april 1973, 73/79/EEG (Pb. nr. L 103 van 18.4.73, blz. 13) in art. 7 voormeld opgenomen onderdeel b bis, laatste alinea: "de inbreng wordt uitsluitend vergoed door toekenning van aandelen, waarbij de LidStaten de bevoegdheid hebben de verlaging ook toe te kennen in die gevallen waarin de inbreng wordt vergoed door toekenning van aandelen, gecombineerd met een storting in contanten van ten hoogste 10 % van hun nominale waarde." Van de hier toegekende bevoegdheid heeft Nederland gebruik gemaakt door aan de vrijstelling van kapitaalsbelasting van art. 37 Wet op belastingen van rechtsverkeer in het derde lid van dat artikel de voorwaarde te verbinden, dat het overnemende lichaam naast de toekenning van eigen aandelen tevens een bedrag in geld betaalt van ten hoogste 10 procent van de nominale waarde van de toegekende aandelen. Vraag 1 Onderdeel b bis, laatste alinea, van art. 7 van de Richtlijn onderscheidt slechts tussen toekenning van aandelen en de storting in contanten. Betekent dit dat de vrijstelling in het geheel niet kan worden toegepast, indien aan de inbrengende aandeelhouders nog andere zaken worden toegekend dan aandelen en contanten, zoals obligaties of warrants, of mogen die andere zaken - al naar gelang van hun karakter - gelijk gesteld worden met hetzij aandelen, hetzij contanten? Vraag 2 Indien de andere zaken mogen worden gelij