Rechtspraak Hoge Raad 1995-05-03
ECLI:NL:HR:1995:AA1595
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 september 1991 betreffende de haar voor het jaar 1983 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1983 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 40.835,--. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof dat de uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De Staatssecretaris van Financiën heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden. 2.3. De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 3 augustus 1993 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het Hof heeft het volgende vastgesteld. Belanghebbende heeft op 18 februari 1983 nominaal US $ 100.000,-- 5,5% obligaties A gekocht tegen een koers van 53,375%. Deze obligaties, zogenaamde deep-discountbonds, zijn op 15 juni 1981 uitgegeven tegen een koers van 39,599%. Op de obligaties wordt halfjaarlijks een couponrente uitgekeerd van 5,5 % op jaarbasis. De aflossing van de obligaties zal plaatsvinden op 15 juni 2001 tegen een koers van 100%. 3.2. Tussen partijen, die kennelijk en terecht ervan uitgaan dat voor wat betreft voormelde couponrente het bepaalde in artikel 27, lid 1, tweede volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) van toepassing is, is in geschil de vraag of belanghebbende ter zake van de aankoop van deze waardepapieren behoudens de meegekochte couponrente nog enig ander bedrag aan "meegekochte rente" (door belanghebbende becijferd op ƒ 36.623,-- en door de Inspecteur op ƒ 8.518,--) als aftrekbare kosten op haar belastbare inkomen voor het jaar 1983 in mindering mag brengen. 3.3. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord op grond van het oordeel - kort samengevat - dat het bepaalde in artikel 27, lid 1, eerste volzin, van de Wet aan die aftrek in de weg staat. Het middel is tegen dit oordeel gericht. 3.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. 3.4.1. In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moet onder tot de inkomsten uit vermogen behorende rente worden verstaan hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom. Dat een dergelijke vergoeding is bedongen moet worden aangenomen indien de hoogte van de uit te lenen som dan wel van de (terug) te betalen som(men) wordt vastgesteld met inachtneming van het feit dat tussen het ontstaan van de schuld en de voldoening daarvan tijd zal verstrijken. Er is geen grond om te veronderstellen dat aan de wetgever in artikel 27, lid 1, eerste volzin, met het begrip "renten van schuldvorderingen" een ander begrip rente voor ogen heeft gestaan. 3.4.2. Met betrekking tot waardepapieren als de onderhavige heeft het Hof - zakelijk weergegeven - geoordeeld dat als deze - zoals hier - beneden pari worden uitgegeven de vergoeding voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom, naast een lage couponrente, wordt genoten in de vorm van aangroei van de waarde van die waardepapieren tot hun nominaal bedrag. 3.4.3. Gelet op het karakter van waardepapieren als de onderhavige, waarin schuldvorderingen zijn belichaamd die gewoonlijk, naar de bedoeling van de geldgever en de geldnemer, rente dragen, laat evenvermeld oordeel van het Hof geen andere gevolgtrekking toe dan dat voor wat betreft de onderhavige obligaties naast de couponrente van 5,5 percent op jaarbasis ook hetgeen bij de aflossing per 15 juni 2001 meer wordt terugontvangen dan bij uitgifte op de obligaties is gestort, naar