Rechtspraak Hoge Raad 1995-05-03
ECLI:NL:HR:1995:AA1591
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 oktober 1992 betreffende de haar voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de vermogensbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd naar een vermogen van ƒ 14.721.000,--. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De Staatssecretaris van Financiën heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden. 2.3. De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 11 januari 1995 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende was op 1 januari 1989 houdster van een aantal aandelen welke tot een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 behoorden. Op 394 van die aandelen was een recht van vruchtgebruik gevestigd ten behoeve van een stichting. De in artikel 4, lid 4, aanhef en letter c, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: de Wet) bedoelde inkomstenbelasting beliep voor wat betreft deze 394 aandelen een bedrag van ƒ 1.085.733,--. Tussen partijen is in geschil de vraag of belanghebbende als bloot eigenaar dit bedrag aan latente inkomstenbelasting op de voet van genoemde wetsbepaling als schuld in aanmerking mag nemen. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Hiertegen richten zich de middelen. 3.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 6 van de Wet worden vorenbedoelde 394 aandelen voor de heffing van de vermogensbelasting aangemerkt als bezittingen van de vruchtgebruiker en zijn zij derhalve - voor wat betreft de toepassing van de Wet op de vermogensbelasting 1964 - niet begrepen in het vermogen van belanghebbende. Naar de tekst van artikel 4, lid 4, aanhef en letter c, van de Wet verhindert dit om voormeld bedrag aan latente inkomstenbelasting bij belanghebbende tot haar schulden te rekenen. De middelen stellen aan de orde de vraag of belanghebbende niettemin recht heeft op aftrek van deze latente belastingschuld. 3.3. Op grond van de in 2.1 tot en met 2.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat de wetgever ten einde te voorkomen dat enig bedrag twee keer zou worden vrijgesteld de op de belastingplichtige drukkende latente inkomstenbelastingschulden ter zake van de in artikel 4, lid 4, van de Wet bedoelde bezittingen niet als schulden in aanmerking heeft willen nemen indien en voor zover die bezittingen of de waarde daarvan zijn vrijgesteld van de heffing van de vermogensbelasting en dat hij die bedoeling tot uitdrukking heeft gebracht door in artikel 4, lid 4, letters a, b en c, van de Wet telkens op te nemen de woorden "in het vermogen begrepen". 3.4. De door de wetgever niet gewilde cumulatie kan zich echter niet voordoen wanneer in de gevallen waarin de in artikel 4, lid 4, letter c, van de Wet bedoelde aandelen en andere waardepapieren met vruchtgebruik zijn belast, de te dier zake verschuldigde inkomstenbelasting als schuld in aanmerking zou worden genomen. 3.5. Immers, de vruchtgebruiker heeft enerzijds geen recht op de vrijstelling van artikel 7, lid 3, letter c, omdat de aandelen voor hem niet tot een aanmerkelijk belang behoren (Hoge Raad 26 januari 1994, nr. 29 644, BNB 1994/99) en hij is anderzijds te dier zake geen inkomstenbelasting verschuldigd omdat bij vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende, met vruchtgebruik belaste aandelen de op de voet van artikel 39 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 verschuldigd De enkele omstandigheid dat belanghebbende bij vervreemding van de blote eigendom van de in geding zijnde aandelen inkomstenbelasting verschuldigd kan worden rechtvaardigt niet dat ter zake enig bedrag als schuld in aftrek wordt toegelaten. Niet elke fiscale claim welke de draagkracht van de belastingplichtige nadelig beïnvloedt leidt immers tot zodanige aftrek, doch slechts de in artikel 4, vierde lid, van de Wet limitatief opgesomde fiscale claims." E. . De uitspraak van het hof is vermeld in Infobulletin 92/767 en in De Vakstudie Vermogensbelasting, aant. 112 op art. 4. F. . Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van een cassatiemiddel, waarin erover wordt geklaagd dat het hof art. 4 Wet VB 1964 heeft geschonden althans verkeerd heeft toegepast door bij het bepalen van belanghebbendes belastbaar vermogen geen aftrek toe te laten wegens de latente inkomstenbelastingschuld met betrekking tot de door belanghebbende als hoofdgerechtigde bezeten aandelen. G. . De Staatssecretaris heeft een vertoogschrift ingediend. II. . Wet en wetsgeschiedenis A. . Sinds de Wet op de vermogensbelasting 1964, Stb. 1964, 520, wordt er "gelet op de economische realiteit" in de vermogensbelasting in bepaalde gevallen rekening gehouden met latente inkomstenbelastingschulden. De gevallen waarin de latente inkomstenbelasting als schuld in de zin van (thans) art. 4, lid 3, Wet VB 1964 kan gelden, zijn limitatief opgesomd in art. 4, lid 4, Wet VB 1964. Zie § 5, derde lid, van de Korte toelichting op de vermogensbelasting 1964 (Resolutie van 13 april 1964, no. B5/5978, V-N 1965, blz. 329, Vakstudie Vermogensbelasting bijlage I): "Nieuw is de afbakening van het begrip schulden met betrekking tot bepaalde latente inkomstenbelastingschulden. Het derde lid geeft een limitatieve omschrijving van de gevallen waarvoor de aftrekregeling geldt, te weten voor: - de reserves begrepen in het vermogen van een onderneming van de belastingplichtige; - tot het privé-vermogen behorende stamrechten; en - aandelen en winstbewijzen behorende tot een aanmerkelijk belang. (...) De begrippen stamrecht en aanmerkelijk belang moeten worden opgevat in de zin van respectievelijk de artikelen 32 en 39 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Wat de latente inkomstenbelasting bij stamrechten aangaat zij erop gewezen dat de aftrek alleen mag worden toegepast op de waarde van de in het vermogen begrepen - niet vrijgestelde - stamrechten." B.. Sinds de Wet tot wijziging van de vermogensbelasting (Wet van 17 december 1980, Stb. 685), luidde art. 4, lid 4, Wet VB 1964, tot 1 januari 1985: Tot de schulden worden mede gerekend de inkomstenbelasting welke de belastingplichtige na het begin van het kalenderjaar verschuldigd kan worden ter zake van: a. in het vermogen van een onderneming van de belastingplichtige begrepen reserves, alsmede afnemingen van de oudedagsreserve in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 519); b. termijnen van in het vermogen begrepen, doch niet tot het vermogen van een onderneming behorende, rechten welke periodieke opbrengsten opleveren (stamrechten); c. aandelen, winstbewijzen en bewijzen van deelgerechtigdheid welke tot een aanmerkelijk belang behoren in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. C. . De regeling in de art. 4, leden 4 en 5, Wet VB 1964 werd getroffen om ongewenste cumulatie van de ondernemingsvrijstelling met de aftrek van latente belastingschulden te voorkomen. Naar in de MvT (Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 905, nr. 3, blz. 25/26) werd opgemerkt, kon het zich voordoen dat het ondernemingsvermogen door de werking van de ondernemingsvrijstelling geheel of nagenoeg geheel voor de belastingheffing buiten beschouwing bleef, terwijl ter zake van de in het vrijgestelde ondernemingsvermogen begrepen stille reserves of fiscale oudedagsreserve nog een aftrek plaats had voor latente belastingschulden. De MvT vervolgde t.a.p.: "Het bezit van een ondernemingsvermogen kon derhalve l 4, lid 3, aanhef, letter c en lid 4 van de Wet VB 1964 als schuld in aanmerking mocht nemen 5% van het bedrag waarmee de waarde van het pakket de verkrijgingsprijs daarvan overtrof. Dit oordeel werd door de Staatssecretaris in cassatie - tevergeefs - bestreden met het betoog dat het door het hof aangehaalde artikel niet van toepassing kon zijn, nu op grond van artikel 6 van de Wet VB 1964 ter zake van het hoofdrecht van het pakket niets in het vermogen van belanghebbende was begrepen. Uw Raad overwoog: "dat deze bestrijding echter onjuist is, daar artikel 4, lid 3, aanhef en letter c van de Wet - anders dan letters a en b - niet bevat de zinsnede "in het vermogen begrepen" en de regeling van artikel 6 van de Wet niet wegneemt dat de draagkracht van belanghebbende nadelig wordt beïnvloed door het bestaan van de in artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, bedoelde latente fiscale claim, daar de blote eigenaar bij vervreemding de inkomstenbelasting ter zake van de winst uit aanmerkelijk belang verschuldigd is, zij het dat daarbij rekening moet worden gehouden met het bestaan van het zakelijk recht van vruchtgebruik;" B. . Scheltens merkt in zijn annotatie onder dit arrest op: "En zo doorkruisen de beide systemen elkaar: de latente inkomstenbelasting drukt op de blote eigenaar voor wie echter de blote eigendom buiten het belastbare vermogen blijft; de vruchtgebruiker wordt, behoudens een reductie van 20%, voor de volle eigendom belast maar op hem drukt geen latente inkomstenbelasting. Dit doorkruisen veroorzaakt de moeilijkheden. Het argument, dat de aftrek niet mogelijk zou zijn, reeds omdat de blote eigendom der aandelen niet in het (fiscale) vermogen van de eigenaar begrepen zijn [lees: is, M.], acht ik zwak. Zou de aftrek zijn geconstrueerd als een waardecorrectie, dan zou het duidelijk zijn dat een correctie op een niet in het vermogen voorkomende waarde misplaatst zou zijn. Een dergelijke waardecorrectie heeft men echter zeer uitdrukkelijk niet gewild. Het algemene stelsel nu van de vermogensbelasting is, dat schulden mogen worden afgetrokken, ook al zouden zij samenhangen met niet belastbare vermogensbestanddelen. Enige latente belastingschulden heeft men met normale schulden willen gelijkstellen, waaronder die wegens a.b.-winst. Dan is er m.i. geen reden voor die schulden in een geval als het onderhavige van de algemene regel af te wijken en bij gebrek aan een belastbaar object in aftrek te weigeren. Men zou anders de toerekening aan de vruchtgebruiker laten doorwerken naar een gebied, waarvoor hij niet is bedoeld (...). Het ontbreken in art. 4, lid 3, sub c, van de aanduiding, dat het a.b. in het vermogen begrepen zou moeten zijn, zegt mij derhalve weinig. Ik zie het ontbreken daarvan echter ook niet als een argument vóór de opvatting van de Hoge Raad. Men mag immers stellig aannemen dat de wetgever aan een situatie als de onderhavige niet heeft gedacht en daarom heeft het niet voorkomen van de bovenvermelde aanduiding voor mij slechts deze betekenis, dat de wet daardoor - en allerminst opzettelijk - aan de m.i. juiste opvatting geen tekstueel beletsel in de weg legt. Zo trouwens vermoedelijk ook de Hoge Raad, die wel wijst op het ontbreken van die aanduiding maar toch het ware argument ook hierin zoekt, dat de draagkracht nadelig wordt beïnvloed door het bestaan van een latentie." C. . In De Vakstudie Vermogensbelasting, aant. 112 op art. 4, wordt naar aanleiding van evenvermeld arrest betoogd: "De aldus luidende beslissing van de Hoge Raad in BNB 1976/213 was gebaseerd op het ontbreken van de zinsnede 'in het vermogen begrepen' in art. 4, vierde lid (voorheen: derde lid), onderdeel c. Met ingang van het jaar 1985 is die zinsnede wèl opgenomen, zulks in verband met de uitbreiding van de ondernemingsvrijstelling. Daarmede heeft BNB 1976/213 onzes inziens zijn betekenis verloren en kan de blote eigenaar de op hem als aanmerkelijk-belanghouder rustende inkomstenbelastingclaim thans niet meer aftrekken." D. . C. Schaap, Latente