Rechtspraak Hoge Raad 1995-04-12
ECLI:NL:HR:1995:AA1560
gewezen op het beroep in cassatie van de maatschap X, die als rechtsopvolgster optreedt van de maatschap X, te Z (hierna: X) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 december 1993 betreffende de beslissing van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen te Amsterdam (hierna: het Bestuur) tot vaststelling van premie over het jaar 1989 ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: de WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de WAO) en de Ziekenfondswet (hierna: de Zfw). 1. Beslissing van het Bestuur en geding voor de Rechtbank Bij beslissing, gedagtekend 23 april 1991, heeft het Bestuur ten laste van X over door deze aan bij haar in dienstbetrekking werkzame werknemers als loon over wachtdagen voor de Ziektewet (hierna: de ZW), als uitkeringen ingevolge de ZW en als aanvullingen op uitkeringen ingevolge de ZW en de WAO gedane betalingen, over 1989 premies vastgesteld ingevolge de in het hoofd van dit arrest genoemde wetten. Tegen die beslissing heeft X beroep ingesteld bij de Raad van Beroep te Utrecht. De Arrondissementsrechtbank te Utrecht, welke ingevolge de Wet van 3 juni 1992, Stb. 278, in de plaats is getreden van die Raad van Beroep, heeft bij uitspraak van 27 januari 1993 het beroep ongegrond verklaard. 2. Geding voor de Centrale Raad van Beroep X heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht. 3. Geding in cassatie X heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het Bestuur heeft een vertoogschrift ingediend. 4. Beoordeling van de middelen van cassatie 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 4.1.1. X heeft in 1989 aan werknemers van haar onder meer de volgende betalingen gedaan: - loon over wachtdagen voor de ZW; - uitkeringen ingevolge de ZW, waarbij X zelf het risico van de wettelijke ziekengeldverzekering als bedoeld in artikel 10a van de Organisatiewet Sociale Verzekering droeg; - aanvullingen op de uitkeringen ingevolge de ZW en de WAO. 4.1.2. X heeft zich voor de Centrale Raad - voor zover in cassatie van belang - op het standpunt gesteld dat het in artikel 4, lid 1, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: de Wet) bedoelde loonbegrip geen grond biedt voor heffing van premies ingevolge de WW, de WAO en de Zfw over de hiervóór in 4.1.1 genoemde betalingen. Het Bestuur heeft dit standpunt voor de Centrale Raad bestreden en zich daarbij onder meer beroepen op de wetsgeschiedenis. 4.2.1. Artikel 4, lid 1, van de Wet luidt sedert de invoering van de Wet van 30 juli 1965, Stb. 347, als volgt: "Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten.". 4.2.2. Sedert de invoering van de Wet van 2 februari 1967, Stb. 104, luidde artikel 6, lid 1, van de Wet - voor zover te dezen van belang - als volgt: "1. Tot het loon behoren niet: (...) e. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge sociale verzekeringswetten; (...) g. periodieke uitkeringen, die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen ingevolge de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Werkloosheidswet; (...).". De letteraanduiding van het bepaalde onder g is bij de Wet van 14 mei 1980, Stb. 296, gewijzigd in f. 4.2.3. Bij de Wet van 3 april 1985, houdende nadere wijziging van de Ziektewet, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en enige andere wetten (verlaging uitkeringspercentage Ziektewet en premieheffing over uitkeringen bij ziekte), Stb. 201, welke op 1 mei 1985 in werking is getreden, is aan voormeld artikel 6 een nieuw lid 1a toegevoegd, luidende: "1a. In afwijking van het eerste lid wordt loon dat betrekking heeft op een of meer wachtdagen, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de Ziektewet, alsmede loon dat wordt gegev