Rechtspraak Hoge Raad 1995-04-12
ECLI:NL:HR:1995:AA1554
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 juni 1993 betreffende de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. (thans genaamd: A B.V.) te Z voor het jaar 1982 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1982 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 243.871.040,--. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 242.647.129,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Zij heeft de zaak doen toelichten door mr. M. Mees, advocaat te Amsterdam. De Advocaat-Generaal Verburg heeft op 28 oktober 1994 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Belanghebbende heeft na kennisneming van deze conclusie een nader geschrift ingediend, waartoe de wet evenwel niet de mogelijkheid biedt, zodat de Hoge Raad op dit stuk geen acht kan slaan. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende is een houdstervennootschap, die op de voet van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is verenigd met onder anderen twee - mede als belanghebbende aan te duiden - dochtervennootschappen, die zich toeleggen op de opsporing en winning van olie en gas in Nederland en op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat. Een van deze vennootschappen heeft van de Minister van Economische Zaken een groot aantal opsporings- en winningsvergunningen verkregen, als bedoeld in artikel 1 van de Mijnwet continentaal plat (Stb. 1965, nr. 428). Zij verricht voortdurend uitgebreide opsporingsactiviteiten, onder meer door middel van exploratieboringen, met het doel kennis te verwerven omtrent de aanwezigheid van olie- en gasreserves die economisch winbaar zijn. Ook in het onderhavige jaar, 1982, verrichtte zij exploratieboringen, die met uitzondering van de hierna te melden boring geen economisch winbare reserves hebben aangetoond. Een der vorenvermelde opsporingsvergunningen had betrekking op het blok G van het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat; de vergunning strekte mede ten gunste van enkele andere maatschappijen. In 1982 vond in dit blok een exploratieboring plaats, aangeduid als G-1, waarbij de aanwezigheid van aardolie werd aangetoond. De kosten van deze boring bedroegen voor belanghebbende ƒ 1.223.914,--. In hetzelfde jaar vond in genoemd blok ter verkrijging van nadere gegevens omtrent de bij voormelde boring aangetroffen accumulatie van aardolie een als G-2 aangeduide zogenoemde evaluatieboring plaats, waarvan de kosten voor belanghebbende ƒ 608.073,-- bedroegen. Boring G-2 leverde een "droge put" op. Belanghebbende bracht de laatstgenoemde twee bedragen in 1982 in hun geheel ten laste van de winst. De kosten van boring G-1 zijn door de Inspecteur niet als lasten van het onderhavige jaar aanvaard. In latere jaren is, na een nadere evaluatieboring in 1984, overgegaan tot winning van de aangetroffen aardolie; de winningsvergunning als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Mijnwet continentaal plat werd nog in 1982 aangevraagd. Bij de winning is geen gebruik gemaakt van de boorputten G-1 en G-2; een exploratieput wordt na een succesvolle boring uiterst zelden of nagenoeg nooit als productieput gebruikt. 3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende terecht op grond van goed koopmansgebruik het bedrag van ƒ 1.223.914,-- ten la Middel II strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte zich niet heeft uitgelaten over de subsidiaire stelling van de Inspecteur, inhoudende dat met de evaluatieboring G-2 de aanwezigheid van een economisch winbare hoeveelheid olie is aangetoond en dat de kosten van deze boring alsnog dienen te worden geactiveerd. Op de hiervóór in 3.2.3 weergegeven gronden faalt ook dit middel. 4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 12 april 1995. Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300,--.Mr. Verburg Nr. 29.866 Conclusie inzake Vennootschapsbelasting 1982 DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN Derde Kamer A tegen Parket, 28 oktober 1994 X BV Edelhoogachtbaar College, 1. De feiten en het geding 1.1. Belanghebbende, X B.V. (thans genaamd: A B.V.), gevestigd te Z, is een houdstermaatschappij van een aantal dochtermaatschappijen, tezamen vormende een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb.'69). Een tweetal aldus gevoegde dochtermaatschappijen, t.w. B B.V. en C B.V. legt zich toe op de opsporing, ontwikkeling en produktie van olie- en gasreserves in Nederland en op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat. In het bezit van de in artikel 1 Mijnwet continentaal plat (Wet van 23 september 1965, Stbl. 428) nader omschreven vergunningen, verkregen van de minister van Economische Zaken, verrichten genoemde dochtermaatschappijen uitgebreide opsporingsactivi- teiten, onder meer door middel van exploratieboringen, dat zijn boringen, die worden verricht met het oogmerk kennis te verwerven omtrent de aanwezigheid van olie- en gasreserves die economisch winbaar zijn. Eén dier vergunningen, verleend bij beschikking van 4 maart 1968, had betrekking op het blok G van het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat en strekte ten gunste van meer maatschappijen dan belanghebbende alleen. In 1982 vond een exploratieboring in blok G plaats, aangeduid als G-1, waarbij de aanwezigheid van aardolie werd aangetoond. De voor rekening van belanghebbende komende kosten ter zake bedroegen f 1.223.914,-. Deze kosten heeft belanghebbende direct ten laste van haar fiscale winst over het jaar 1982 gebracht. 1.2. De Inspecteur der vennootschapsbelasting te P heeft deze handelwijze evenwel niet geaccepteerd en heeft ter zake op het aangegeven belastbaar bedrag een correctie aangebracht ten belope van het totale in aftrek gebrachte bedrag. In zijn uitspraak op het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift, heeft de Inspecteur overwogen, "dat exploratieboringen, zoals door belanghebbende worden verricht, het opsporen van economisch winbare reservoirs aardolie en/of aardgas ten doel hebben teneinde de opgespoorde reserves in latere jaren te winnen; dat de kosten van deze exploratieboringen derhalve worden gemaakt met het oog op in latere jaren met winning te behalen opbrengsten; dat in geval een exploratieboring geen succes heeft, het verband met opbrengsten van latere jaren zo arbitrair is dat goed koopmansgebruik toelaat de kosten van zo'n boring ineens te brengen ten laste van de winst van het jaar waarin het negatieve resultaat van de boring komt vast te staan; dat evenwel in het geval de boring wel de schema's vermeld bij Mobach/Sillevis, Cursus belastingrecht (Inkomstenbelasting), 2.2.15, a.3 en bij Burgert/Timmermans/Joosten, De jaarrekening nieuwe stijl, zesde druk 1990, blz. 67. Zie voorts M.J.H. Smeets, Overlopende posten en voor- zieningen, WFR 1964/4719 t/m 4721. 3.2. De belangrijkste categorie van de transitorische actiefposten wordt gevormd door de in de loop van het jaar ten behoeve van volgende jaren gedane bedrijfsuitgaven. J.J. Hof gaf hieromtrent te kennen: "Uitgaven zijn dan lasten van de toekomst als ze ten behoeve van de toekomst zijn gedaan. Ik ben van mening, dat dit alleen juist is als er enige zekerheid is dat die uitgaven inderdaad in de toekomst zullen worden terugverdiend. Het lijkt mij een goede gewoonte om hier vooral de voorzichtigheid te betrachten" (Hof a.w. blz. 28). 3.3. Hofstra/Stevens schrijven: "De vraag of transitorische posten moeten of mogen worden opgenomen wordt (..) uitsluitend beheerst door het (fiscale) goede koopmansgebruik van artikel 9 Wet IB. Aan de belastingplichtige komt, binnen de grenzen van de redelijkheid en van het door hem gekozen systeem, vrijheid van keuze toe. Uiterste nauwkeurigheid behoeft niet te worden betracht; betrekkelijk bescheiden verschuivingen van winst kunnen worden aanvaard (vgl. Hof 's-Gravenhage 10 september 1969, BNB 1970/197, en het, zij het op schulden betrekking hebbende, arrest HR 1 december 1954, BNB 1955/16). Activering blijft achterwege als de bedrijfskosten niet bepaaldelijk verband houden met de winst van enig boekjaar (HR 28 september 1966, BNB 1967/1, inzake oprichtingskosten). Een transitorische post is echter wel nodig indien, zonder zodanige post, baten of lasten van grotere betekenis kennelijk aan een verkeerd jaar zouden worden toegerekend" (Inkomstenbelasting, vierde druk, blz. 228). 3.4. Eerder schreef Hofstra: "Dat voor uitgaven die gedurende meerdere jaren nut afwerpen activering als overlopende post nodig kan zijn wordt zowel door de literatuur als door de rechtspraak erkend; zie voor deze laatste o.a. Gerechtshof Amsterdam 8 oktober 1964, BNB 1965/86 (reclamekosten), 's-Gravenhage 19 november 1965, BNB 1966/278, en Arnhem 10 januari 1967, BNB 1967/149 (ledenacquisitie). De vraag of een zodanige nutscontinuïteit aanwezig is is echter van feitelijke aard, terwijl de overigens geldende norm van het goede koopmansgebruik er m.i. toe moet leiden niet al te spoedig aan te nemen dat dit het geval is. Ook bij een normale, mede op het voortbestaan en de groei van de onderneming gerichte bedrijfsuitoefening wordt immers veelal een goodwill opgebouwd, die ook niet behoeft te worden geactiveerd, al pleegt een zodanig beleid wel extra kosten mee te brengen. Ik zou daarom tot de plicht tot activering - met de bevoegdheid ligt dat wat gemakkelijker - slechts willen besluiten bij bijzondere, van een statisch ondernemerspatroon afwijkende, activiteiten" (De Naamlooze Vennootschap, jaargang 52 nr. 1 januari 1974, blz. 4-5). 3.5. In de casus berecht door uw Raad in zijn arrest van 4 mei 1983, BNB 1983/194 stelde de belanghebbende, een b.v. die kosten had gemaakt met het oogmerk een nieuw type detector te ontwikkelen en te produceren, zich op het standpunt dat zij ten onrechte - namelijk in strijd met goed koopmansgebruik - telken jare tot activering van genoemde kosten was overgegaan. Uw Raad overwoog ter zake: "dat het niet in strijd is met goed koopmansgebruik ontwikkelingskosten als de onderhavige te activeren, indien en voor zover op de balansdatum het bedrag van deze kosten niet als verloren moet worden beschouwd" (BNB 1983/194, blz. 1050 regels 3 t/m 5). 3.6. Ten tijde van de parlementaire behandeling van de Wet IB'64 hebben de bewindslieden als volgt gereageerd op de in het voorlopig verslag gedane suggestie om de research-uitgaven te stimuleren via het instituut van de investeringsaftrek: "De ondergetekenden zijn overtuigd van het grote belang dat de research heeft voor de Nederlandse volkshuishouding. Het is hun niet gebleken dat de huid Opmerkelijk is de navolgende passage: "Duidelijk is dat belanghebbende een zienswijze huldigt, welke afwijkt van het overigens door haar collega's en de fiscus ingenomen standpunt, waar het geaccumuleerde exploratiekosten betreft. Dit (bijna) commune standpunt gaat blijkens de procedure overigens niet verder dan dat goed koopmansgebruik activering van de kosten niet gebiedt doch ook niet verbiedt" (V-N 14 februari 1987, blz. 324). 4. Overlopende posten in het jaarrekeningrecht 4.1. Van overlopende posten is ook sprake in het jaarrekeningrecht. In artikel 364 lid 3 boek 2 BW wordt voorgeschreven dat de overlopende activa, voor zover zij niet onder de vorderingen zijn vermeld, afzonderlijk onder de vlottende activa vermelding behoeven, terwijl het vierde lid van voornoemd artikel de overlopende passiva, voor zover zij niet onder de schulden zijn vermeld, afzonderlijk onder de passiva opgenomen wenst te zien. Een omschrijving van het begrip 'overlopende posten' behelst onze wet niet; zulks in tegenstelling tot de Vierde EG-richtlijn, zoals blijkt uit de artikelen 18 en 21. Het eerste van beide genoemde artikelen, artikel 18, luidt: "Onder 'Overlopende posten' aan de actiefzijde worden de kosten opgenomen die gedurende het boekjaar zijn geboekt doch tot een later boekjaar behoren, alsmede de baten die tot het boekjaar behoren maar pas na de balansdatum opeisbaar zijn. De Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat genoemde baten worden opgenomen onder de vorderingen; wanneer zij van enige betekenis zijn, moeten zij in de toelichting worden verklaard". Het tweede, artikel 21, heeft de navolgende inhoud: "Onder 'Overlopende posten' aan de passiefzijde worden in de baten opgenomen die vóór de balansdatum zijn ontvangen maar moeten worden toegerekend aan een later boekjaar, alsmede de kosten die tot het boekjaar behoren doch pas in een later boekjaar zullen worden betaald. De Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat genoemde kosten worden opgenomen onder de schulden; wanneer zij van enige betekenis zijn, moeten zij in de toelichting worden verklaard". Zie ook de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving 2.14 en 2.62, weergegeven in aantekening 4 op artikel 364, Rechtspersonen, losbladige uitgave. 4.2. Ik vestig in dit verband tevens de aandacht op artikel 365 lid 1 aanhef en letter b boek 2 BW, welke bepaling inhoudt dat kosten van onderzoek en ontwikkeling afzonderlijk onder de immateriële vaste activa worden opgenomen. Het viel de nationale wetgever moeilijk een regeling als thans in artikel 365 boek 2 BW is neergelegd, te treffen. Voordat de Vierde richtlijn hem daartoe verplichtte, bestond er zijnerzijds een duidelijke weerzin tegen het activeren van immateriële vaste activa. De memorie van toelichting behorende bij de Wet op de jaarrekening van ondernemingen (Wet van 10 september 1970, Stb. 414), vertolkt deze weerzin als volgt: "Immateriële activa behoeven niet op de balans te worden opgevoerd, doch, indien dit geschiedt, dan is het bedrag waartegen zij gewaardeerd worden, begrensd door de reële kosten, verminderd met de afschrijvingen. Deze speciale bepaling vindt haar oorsprong in de aard van deze activa. Hoezeer zij ook een werkelijke waarde kunnen vertegen- woordigen, die waarde betekent in het algemeen een anti- cipatie van toekomstige winsten, heeft daardoor een min of meer speculatief karakter en kan van dag tot dag veranderen: door de vestiging van een concurrent kan de goodwill snel dalen, door een nieuwe uitvinding kan een octrooi zijn waarde verliezen enz. Er bestaat derhalve reden toe bij de waardering van deze activa meer aan de voorzichtige kant te blijven dan bij andere posten" (memorie van toelichting, zitting 1967-1968 - 9595, nr. 3, blz. 15 lk.). 4.3. Een verplichting om tot activering van de t.a.p. vermelde kosten kosten en vooruitbetalingen over te gaan, lees ik in artikel 365 boek 2 BW niet. Deze lezing strookt met wat de memorie van toelichting behorende bij de Aanpassingswet van 7 december 1983, Stb. 663, ter zake behe Blijkens de rechtsoverwegingen 6.1 en 6.2 heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat - de kans dat een exploratieboring succesvol zal zijn, gering is en de financiële risico's derhalve groot zijn; - de exploratieput, na een succesvolle boring, uiterst zelden of nagenoeg nooit als produktieput wordt gebruikt; - het verkrijgen van een winningsvergunning in de regel een ongewis aantal jaren in beslag neemt; - ultimo 1982 redelijkerwijs nog niet vaststond dat het met de exploratieput G-1 aangeboorde veld een economisch winbare hoeveelheid olie bevatte. 6.4. Hiertegenover heeft de Staatssecretaris zich in zijn cassatieberoepschrift onder 3 letters a t/m f weliswaar teweergesteld, maar met belanghebbende in zijn cassatievertoogschrift ben ik van mening dat, nu 's Hofs oordeel van feitelijke aard is te achten, niet onbegrijpelijk kan worden genoemd en aan de door de wet gestelde motiveringseisen voldoet, de bestreden uitspraak in cassatie niet aantastbaar is. Het eerste cassatiemiddel moet derhalve falen. 6.5. Met een zodanig door uw Raad te geven oordeel zou belanghebbende evenwel niet tevreden zijn, naar ik afleid uit de pleitnota van de geachte pleiter voor belanghebbende. In deze pleitnota wordt namelijk te kennen gegeven dat belanghebbende een principiële beslissing heeft gezocht "over de vraag of de kosten van exploratieboringen aftrekbaar zijn, ongeacht of de aangetroffen hoeveelheid olie of gas economisch winbaar is (tenzij de put als produktieput gebruikt gaat worden)" (pt. 2.1 eerste volzin). Mij is uit de voor het Hof overgelegde processtukken echter niet gebleken dat van het Hof een zodanige principiële beslissing is verlangd, zodat er geen aanleiding lijkt te bestaan om erop te wijzen - zoals de geachte pleiter voor belanghebbende doet - dat het Hof die rechtsvraag onbeslist heeft gelaten. 6.6. Zie ik het goed, dan is voor 's Hofs oordeelsvorming bepalend geweest of er ultimo 1982 met betrekking tot het met de exploratieput G-1 aangeboorde veld sprake was van economische winbaarheid. Deze vraag is door het Hof in ontkennende zin beantwoord. Wanneer belanghebbende dan ook - zoals uit de pleitnota van de geachte pleiter voor belanghebbende blijkt - door uw Raad beoordeeld wil zien of de economische winbaarheid al dan niet in de weg staat aan de onmiddellijke aftrekbaarheid van de gemaakte exploratiekosten, is zij aangewezen op de welwillendheid van uw Raad, die zich alsdan bij wijze van obiter dictum over de aan- geroerde kwestie zou kunnen uitlaten. 6.7. Uit de hieronder weergegeven passage ontleend aan voornoemde pleitnota leid ik af dat belanghebbende zulks beseft: "Indien uw Raad het principiële standpunt van belanghebbende juist oordeelt, zou zij het op hoge prijs stellen indien uw Raad dat tot uitdrukking zou willen brengen en niet zou willen volstaan met het verwerpen van de cassatieklachten van de staatssecretaris, zoals in het vertoogschrift is gesuggereerd" (pt. 2.4). 6.8. De Staatssecretaris laat zich in zijn cassatieberoepschrift evenwel als volgt uit: "Gelet op de door het Hof voor zijn beslissing van belanghebbende overgenomen gronden als vermeld in rechtsoverweging 6.5 komt de beslissing erop neer dat, ongeacht het uiteindelijke resultaat van de boringen, de kosten daarvan ten laste van de winst mogen worden gebracht" (blz. 3 onder 2). De geachte pleiter voor belanghebbende leidt hieruit af dat de Staatssecretaris de(zelfde) principiële vraag aan de orde stelt die ook belanghebbende aan de orde heeft gesteld, maar zulks weerhoudt hem er niet van te betogen dat de klacht van de Staatssecretaris feitelijke grondslag mist. Vgl. de pleitnota onder 7.1 juncto 2.2. 6.9. Het valt moeilijk te beoordelen of dit betoog juist is. Het is namelijk onmiskenbaar waar dat 's Hofs overwegingen omtrent het geschil "door de vele verwijzingen niet zelfstandig leesbaar (zijn)" (pleitnota onder 1.3), hetgeen de lezing van 's Hofs uitspraak in genoemd opzicht tot een moeilijke opgave heeft Niet nader aangeduid is waarop de beschreven behandeling van voornoemde opsporings- en verkenningskosten berust, maar het ligt voor de hand te veronderstellen dat de gebezigde formulering is afgestemd op de hierboven gereleveerde afspraken met de belastingadministratie. 7.5. Naar de Inspecteur op blz. 6 van zijn vertoogschrift heeft uiteengezet, was de gemaakte afspraak uitsluitend bedoeld om verliesverdamping te voorkomen in de aanloopfase waarin de olie- en gasmaatschappijen zich destijds bevonden. Nu deze fase voorbij is en jaarlijks (grote) winsten worden gemaakt, is er tegen deze achtergrond geen enkele reden te bedenken waarom de behandeling van de exploratiekosten voortaan niet overeenkomstig goed koopmansgebruik zou dienen te geschieden. 7.6. Ik citeer de Inspecteur ter zake als volgt: "Ongeveer vijf jaar geleden toen een toenemend aantal bedrijven de winningsfase bereikte, bracht een beter inzicht in de materie de fiscus ertoe op het gebied van succesvolle boringen een strakker beleid te voeren" (vertoogschrift, blz. 12). Dit strakkere beleid heeft kennelijk geresulteerd in het innemen van het standpunt dat ingevolge goed koopmansgebruik de kosten van succesvolle exploratie- en bevestigingsboringen op de balans behoren te worden geactiveerd. 7.7. Ik interpreteer de in het jaar 1972 gemaakte afspraken aldus dat zij de behandeling van de exploratiekosten aan de werking van goed koopmansgebruik hebben onttrokken. Om te voorkomen dat grote niet-compensabele verliezen zouden ontstaan, is aan de olie- en gasmaatschappijen ter zake de vrije hand gegeven. In de activering van de gemaakte exploratiekosten werd het middel gezien om verliesverdamping tegen te gaan. De voorkeur van de betrokken belastingplichtige lichamen zal ongetwijfeld als regel uitgaan naar de onmiddellijke aftrekbaarheid. Slechts wanneer zich voor deze lichamen de mogelijkheid van niet-compensabele verliezen voordoet, zal deze voorkeur zich wijzigen ten gunste van activering. 7.8. Belanghebbende ziet m.i. over het hoofd dat het in de af- spraken van 1972 neergelegde systeem van activering met vrije afschrijving slechts een beperkte functie had, namelijk om in de aanloopfase de olie- en gasmaatschappijen bij de fiscale winstberekening enigszins tegemoet te komen. Zodra echter de winningsfase is bereikt, zal er aanleiding zijn om de fiscale behandeling van exploratiekosten wederom onder auspiciën van goed koopmansgebruik te doen plaatsvinden. Kennelijk achtte de Inspecteur dit moment in 1982 aangebroken, maar dan rijst wel de vraag of een zodanige wijziging van gedragslijn niet vooraf had behoren te zijn aangekondigd, zoals belanghebbende in haar conclusie van repliek voor het Hof betoogt (onder 9.8), een vraag die ik geneigd ben in bevestigende zin te beantwoorden. 8. De mogelijke relevantie van de economische winbaarheid 8.1. Ik wil overigens wel aannemen dat indien op enige balans- datum de winbaarheid van de reserves vaststaat en verdere investeringen rechtvaardigt, goed koopmansgebruik tot activering van de in het betrokken jaar gemaakte exploratiekosten verplicht. Op de vraag of aan deze aldus gestelde voorwaarde in concreto is voldaan, zal een bevestigend antwoord echter veelal slechts in sterk sprekende gevallen zijn te geven. Ik zou mij echter kunnen voorstellen dat naarmate meer (grote) olievelden in exploitatie zijn genomen, eerder kan worden geconcludeerd tot de economische winbaarheid van de aangetroffen reserves dan in de beginfase op de Noordzee het geval was. 8.2. Over de Mijnwet continentaal plat (Wet van 23 september 1965, Stbl. 428), zie nader: Nooteboom/Bouwman, Wegwijs in de vennootschapsbelasting, vierde druk, hoofdstuk II, blz. 45 t/m 54. Artikel 13 van deze wet vangt aldus aan: "Indien de houder van een opsporingsvergunning voor een delfstof met gebruikmaking van die vergunning die delfstof in een economisch winbare hoeveelheid heeft aangetoond, wordt hem op zijn aanvrage, ingediend gedurende de geldingsduur van die vergunning, een verg Deze vorm van zekerheid ontbreekt evenwel, omdat de factoren die voor de baat van beslissende betekenis zijn te achten, als regel in de olie- en gaswinning een te grote mate van ongewisheid vertonen om activering van kosten te kunnen rechtvaardigen. Ik ben dan ook - anders dan de Staatssecretaris in zijn cassatieberoepschrift onder 2 laatste volzin te kennen geeft - van mening dat het Hof aan het voorzichtigheidsbeginsel niet een onevenredig zwaar gewicht heeft toegekend, zodat niet kan worden gezegd dat toerekening aan een 'verkeerd' jaar heeft plaatsgevonden. 8.9. Dit zou slechts anders zijn als zou worden geabstraheerd van het verband tussen de verrichte boring en het ingevolge die boring ontdekte reservoir. In die zienswijze wordt ervan uitgegaan dat alle kosten worden gemaakt ter wille van de (voortzetting van de) reeds aangevangen en nog aan te vangen exploitatie in het algemeen, zodat het onderscheid tussen exploiteerbare en niet-exploiteerbare putten geheel komt te vervallen. Voor zover ik kan nagaan, maakt de Staatssecretaris deze rede- nering, die stoelt op de zg. eenheidsgedachte, echter niet tot de zijne. 8.10. Mijn hierboven onder 8.8 weergegeven standpunt houdt niet in dat ik belanghebbendes standpunt deel en dus van mening zou zijn dat de economische winbaarheid relevantie zou missen voor de onmiddellijke aftrekbaarheid van de gemaakte exploratiekosten. Integendeel, het komt mij voor dat de economische winbaarheid niet anders dan bepalend kan zijn voor de aftrekbaarheid der kosten. Het gaat mij anderzijds echter te ver om aan te nemen dat goed koopmansgebruik belanghebbende zou verplichten tot activering van de gemaakte exploratiekosten over te gaan, zolang op de balansdatum omtrent de economische winbaarheid niet meer zekerheid bestaat dan in concreto door het Hof aanwezig geacht. 9. Gewekte verwachtingen? 9.1. Op blz. 4 onder 2.5 van zijn pleitnota vermeldt de geachte pleiter voor belanghebbende dat het Hof in zijn uitspraak niet is toegekomen aan het door belanghebbende ingenomen (meer) subsidiaire standpunt betreffende de verwachtingen gewekt bij de invoering van het winstaandeel. Voor het Hof heeft belanghebbende een beroep gedaan op het vertrouwen dat zij haars inziens mocht ontlenen aan het beleid van de minister van Financiën inzake het zg. staatswinstaandeel. Hieronder valt te verstaan het door de houder van een winningsvergunning jaarlijks aan de Staat verschuldigde bedrag, berekend naar de met de winning behaalde winst, als bedoeld in artikel 11 lid 1 letter b van de Mijnwet continentaal plat. 9.2. Omtrent dit aan de Staat verschuldigde bedrag zijn in artikel III/12 e.v. van het KB van 27 januari 1967, Stbl. 24 nadere voorschriften gegeven. Na de wijziging bij het KB van 11 juni 1974, Stbl. 378 luidt artikel III/12 lid 1 van voornoemd KB als volgt: "De vergunninghouder is jaarlijks aan de Staat een bedrag als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b, van de wet verschuldigd van 50% van het voordelige saldo van een met inachtneming van de artikelen 13 en 14 over het afgelopen boekjaar op te maken resultatenrekening, welke omvat de volgens goed koopmansgebruik aan dat jaar toe te rekenen kosten en opbrengsten van het krachtens de vergunning instellen van verkennings- en opsporingsonderzoeken en winnen van delfstoffen", onder vermelding dat het percentage bij KB van 6 februari 1976, Stbl. 102 is verhoogd tot zeventig. 9.3. Bedoelde wijziging bestond hierin dat de in het eerste lid van voornoemd artikel III/12 voorkomende aanduiding 'volgens goed koopmansgebruik aan dat jaar toe te rekenen' in de plaats trad van de bestaande tekst 'op dat jaar betrekking hebbende'. Blijkens de toelichting beoogde deze wijziging de aansluiting tot stand te brengen met de voor de berekening van de vennootschapsbelasting geldende regels. 9.4. Nu de ministers van Economische Zaken en van Financiën, die naar luid van artikel III/19 lid 1 van het KB de resultatenrekening na ontvangst zo spoedig mogelijk vaststellen, naar bela