Rechtspraak Hoge Raad 1995-04-05
ECLI:NL:HR:1995:AA1551
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 september 1993 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 48.174,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt hiervan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In het onderhavige jaar is de in 1954 geboren echtgenote van belanghebbende twee keer ruim drie maanden opgenomen geweest in A, een particulier tehuis met twintig kamers dat wordt geleid door een gediplomeerd verpleegkundige. Ter zake van de verzorging en begeleiding van belanghebbendes echtgenote aldaar is ƒ 6.840,-- in rekening gebracht. Belanghebbende heeft op 4 februari 1991 zijn ziektekostenverzekeraar verzocht deze kosten te vergoeden. In dit verzoek schrijft belanghebbende - voor zover thans van belang -: "... Daar echter, gezien de omstandigheden van mijn vrouw, thuisverpleging onmogelijk is, en in het verleden opname in een erkende instelling(en) ook niet het gewenste resultaat is bereikt, is gekozen voor opname in A, de kosten voor begeleiding en verzorging bedraagt echter ƒ 1.000,-- per maand terwijl de opname in een (erkende) instelling ƒ 15 tot ƒ 20.000,--, per maand kost (...). Tevens heb ik hierbij ingesloten een brief van B, alsmede C, terwijl ik u ook kan zeggen dat de eigen huisarts ... er positief tegenover staat". De op 29 januari 1991 gedagtekende verklaring van C, huisarts te Q, luidt - voorzover thans van belang -: "dat het voor mw ... medisch gewenst is dat zij in een beschermde woonomgeving ... woont". De op 22 januari 1991 gedagtekende brief van B, zenuwarts werkzaam bij de Riagg te Z, vermeldt - voor zover thans van belang -: "1) Patiënte, toen bij de Riagg te Z in behandeling, is in april 1990 tijdens een verergering van haar ziekte opgenomen in A te R, in een toestand die haar zelfstandig functioneren thuis onmogelijk maakte. Ze was daar toen enkele maanden opgenomen. 2) Eenzelfde situatie deed zich in september 1990 voor weshalve toen een klinische behandeling geïndiceerd werd geacht. I.v.m. haar religieuze achtergrond en de bekendheid met A is ze toen daar wederom opgenomen. Hierbij werd opnieuw de plaatselijke RIAGG ingeschakeld". 3.2. In 's Hofs uitspraak ligt besloten dat het verblijf van belanghebbendes echtgenote in het tehuis rechtstreeks verband hield met haar psychische ziekte. 3.3. Voor zijn oordeel dat de onderhavige uitgaven niet kunnen worden aangemerkt als uitgaven ter zake van ziekte als bedoeld in artikel 46, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 heeft het Hof redengevend geoordeeld dat de in het tehuis geboden verzorging en begeleiding niet op zichzelf een medische behandeling vormde en dat belanghebbendes echtgenote aldaar ook niet door een geneeskundige werd behandeld. 3.4. Aldus heeft het Hof miskend dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van - thans (1990) - artikel 46, lid 3, (Wet van 24 december 1970, Stb. 604, Kamerstukken II 1969/70, 10790, nr. 3, blz. 17 linkerkolom) blijkt, dat de wetgever met de in lid 3 gegeven opsomming niet heeft bedoeld voortaan kosten van verblijf in andere inrichtingen dan ziekenhuizen en verpleeginrichtingen uit te zonderen van de in artikel 46, lid 1, letter b, bedoelde kosten van ziekte of inva