Rechtspraak Hoge Raad 1995-03-29
ECLI:NL:HR:1995:AA1550
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 september 1993 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 86.094,-- welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond tot cassatie Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende aan de door de Inspecteur in zijn brief van 18 augustus 1988 gestelde voorwaarden is gebonden en dat - naar het Hof kennelijk bedoelt: op grond van die tussen belanghebbende en de Inspecteur overeengekomen voorwaarden - voor de heffing van de inkomstenbelasting moet worden aangenomen dat de vergoeding ter grootte van ƒ 400.000,-- is toegekend in de vorm van een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon (zoals bedoeld in artikel 11, aanhef en letter e van de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972, tekst 1988). Hiervan uitgaande kan hetgeen belanghebbende in plaats van de periodieke uitkeringen waarop hij aanspraak had ten titel van afkoopsom heeft ontvangen niet anders worden gezien dan als genoten ter vervanging van inkomsten als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), zodat daarop het bijzonder tarief van artikel 57 van de Wet van toepassing is. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. 5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, in raadkamer van 29 maart 1995.