Rechtspraak Hoge Raad 1995-04-19
ECLI:NL:HR:1995:AA1532
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 januari 1994 betreffende na te melden met betrekking tot de naamloze vennootschap X N.V. te Z vastgestelde beschikking inzake vennootschapsbelasting. 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Bij beschikking van 7 april 1989 heeft de Inspecteur de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1980, die was berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 36.205.250,--, wegens terugwenteling van een verlies geleden in 1981 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 35.566.902,--. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd, en de aanslag vennootschapsbelasting 1980 in verband met een door belanghebbende geleden verlies over 1981 heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende vormde een fiscale eenheid met vrijwel alle Nederlandse 100% dochtervennootschappen, onder meer met A B.V., die in 1979 en 1980 enig aandeelhoudster was van onder andere B Inc. (B), gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika en C S.A. (C), gevestigd in Zwitserland. B was in die jaren houdster van Amerikaanse deelnemingen, met name van D Inc. (D) en E Inc. (E). Andere dochtervennootschappen van B in Amerika waren onder meer F Inc., G Inc. voorheen H en I Inc. Door B en met name door haar dochtervennootschap D waren belangrijke verliezen geleden. In de vennootschappelijke jaarrekening van belanghebbende was ter zake van deze verliezen een actiefpost in de vorm van een actieve belastinglatentie verwerkt met het oog op de bij liquidatie van B te besparen vennootschapsbelasting. 3.1.2. E had in 1979 met een geldlening van $ 25 miljoen van J N.V. (J) en met $ 17.350.000 eigen vermogen de activa en passiva van een bestaande onderneming verworven. 3.1.3. In 1981 werd het concern van belanghebbende gereorganiseerd. 3.1.4. In dit kader verkocht belanghebbende D op 14 oktober 1981 aan een derde. 3.1.5.1. Op 28 oktober 1981 verstrekte belanghebbende een geldlening aan B van $ 11.143.043 met, bij de geldende koers van 2,484, een tegenwaarde van ƒ 27.679.000,--. B heeft genoemd bedrag aangewend voor de aflossing van de schuld in rekening-courant aan D van $ 2.571.634, betaling van rente aan D van $ 359.975, de overname van een vordering in rekening-courant van D op F ten bedrage van $ 795.310 voor de nominale waarde, een vordering op belanghebbende van $ 61.643 en voor een kapitaalstorting in D- van $ 8.054.481. 3.1.5.2. D heeft de verkregen gelden tot een totaal van $ 11.061.769 aangewend voor aflossing met rente van een schuld aan J ten bedrage van $ 2.786.928; aflossing met rente van een schuld ten bedrage van $ 2.119.031 aan Morgan Bank (voor welke schuld belanghebbende een garantie had verstrekt), onder gelijktijdige verstrekking van een lening met dezelfde hoofdsom door Morgan Bank aan E; aflossing met rente van een schuld aan Bank Oppenheim, Pierson Int. Luxembourg (voor welke schuld belanghebbende garant stond) ten bedrage van $ 1.755.250 en een aflossing van een rekening-courantschuld aan E van $ 4.400.560. 3.1.5.3. E heeft het bedrag van de hoofdsom van de lening Morgan Bank ad $ 2.100.000 en de aflossing rekening-courant van $ 4.400.560 benut voor de aflossing van een lening verstrekt door J. 3.1.5.4. De vorderingen van E en J op D waren in oktober 1981 waardeloos, daar D toen niet