Rechtspraak Hoge Raad 1995-09-13
ECLI:NL:HR:1995:AA1524
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 maart 1994 betreffende na te melden op de voet van artikel 30 van de Invorderingswet 1990 gegeven beschikking van de Ontvanger der Rijksbelastingen inzake invordering. 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is bij beschikking van 19 november 1990 een bedrag van f 10.366,-- aan invorderingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Ontvanger bij uitspraak het bedrag van de invorderingsrente gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Met dagtekening 30 juni 1989 is aan belanghebbende voor het jaar 1988 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 235.329,--, te betalen vóór 1 augustus 1989. De Ontvanger heeft bij beschikking van 14 juli 1989 aan belanghebbende op haar verzoek tot een bedrag van ƒ 148.637,-- (ter zake van WIR 1987 ƒ 57.825,-- en van terugwenteling verlies 1987 ƒ 90.812,--) uitstel van betaling van voormelde voorlopige aanslag verleend "totdat verrekening mogelijk is met de te verwachten teruggaven". Bij beschikking van 30 november 1990 heeft de inspecteur der vennootschapsbelasting aan belanghebbende een teruggaaf van vennootschapsbelasting ten bedrage van ƒ 90.812,-- verleend wegens verrekening van het over het jaar 1987 door haar geleden verlies met de over het jaar 1985 door haar behaalde winst. 3.1.2. De hiervóór in 1 vermelde beschikking is aan belanghebbende kenbaar gemaakt door middel van een aan haar gerichte brief van 19 november 1990, waarin de Ontvanger mededeelt dat de hiervóór in 3.1.1 bedoelde teruggaaf tot een bedrag van ƒ 80.446,-- is verrekend met de daar vermelde voorlopige aanslag en tot een bedrag van ƒ 10.366,-- met de - klaarblijkelijk op de voet van het bepaalde in artikel 28, lid 1 jo. lid 4, van de Invorderingswet 1990 - over het tijdvak 1 augustus 1989 tot en met 29 november 1990 berekende invorderingsrente (hierna: de invorderingsrente). 3.1.3. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de invorderingsrente ten onrechte in rekening is gebracht. Zij beroept zich daartoe op de Resolutie van 30 oktober 1967, nr. B7/14 925, zoals gewijzigd bij Resolutie van 8 januari 1979, nr. 278- 24 155, Vakstudie Nieuws 1979, blz. 280 (hierna: de Resolutie). De Resolutie luidt - voor zover te dezen van belang - als volgt: "Door een Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn onlangs twee vragen gesteld. 1. Is de Staatssecretaris van Financiën bereid in overweging te nemen maatregelen te treffen waarbij wordt voorkomen dat de (eventueel versnelde) inning van inkomstenbelasting, al of niet verhoogd met rente, wordt doorgezet, terwijl diezelfde belastingplichtige uit hoofde van andere nog op te leggen aanslagen restitutie zal ontvangen (zonder rentevergoeding)? 2. Indien de onder 1 gestelde vraag onverhoopt negatief mocht worden beantwoord, is de Staatssecretaris dan bereid te overwegen naast het stelsel van in rekening gebrachte rente over verschuldigde belasting ook een rentevergoedingsregeling vast te stellen over te restitueren belasting? Ik heb daarop het volgende geantwoord. 1. Ook naar het oordeel van ondergetekende is het wenselijk de invordering van openstaande belasting- en premieaanslagen niet voort te zetten indien de belanghebbende aannemelijk maakt dat betaling zal kunnen geschieden door middel van verrekening met binnen afzienbar